Verkenning Bevolking 2050: meer inwoners met een migratieachtergrond

Het aantal inwoners van Nederland met een migratieachtergrond zal tot 2050 zeer waarschijnlijk toenemen. Afhankelijk van hoe de migratie naar Nederland zich in de toekomst ontwikkelt, groeit hun aantal van 4,2 miljoen inwoners met een migratieachtergrond in 2020 naar tussen de 5,3 en 8,4 miljoen in 2050. De groep zal anders samengesteld zijn dan nu het geval is. Dit blijkt uit het onderzoek ‘Verkenning Bevolking 2050’, dat het NIDI en het CBS in opdracht van het ministerie van SZW hebben uitgevoerd.

Dit artikel verscheen eerder via CBS.
Bekijk hier het originele artikel, of lees hieronder verder.

De Tweede Kamer heeft bij de Algemene Politieke Beschouwingen van 2018 aan de regering gevraagd om de gevolgen van veranderingen in de omvang en samenstelling van de bevolking halverwege deze eeuw in kaart te brengen. Namens negen ministeries heeft het ministerie van SZW aan het NIDI gevraagd dit onderzoek te coördineren. In dit onderzoek hebben het NIDI en het CBS zeven toekomstige bevolkingsvarianten opgezet, elk uitgaand van een andere ontwikkeling voor de geboortecijfers, levensverwachting en internationale migratie. De toekomstvarianten vormen een aanvulling op de bestaande bevolkingsprognoses van het CBS.

Groei aantal Nederlanders met migratieachtergrond met 1 tot 4 miljoen
Begin 2020 telde Nederland 17,4 miljoen inwoners, waarvan ruim vier miljoen (24 procent) mensen met een migratieachtergrond. Dit zijn inwoners waarvan ten minste één ouder buiten Nederland is geboren. Bij een relatief lage instroom (per saldo gemiddeld 16 duizend per jaar vanaf 2019) zou deze groep kunnen toenemen tot ruim 5 miljoen, bij een hoge instroom (per saldo 93 duizend migranten per jaar er bij) tot ruim 8 miljoen personen.

Aandeel Nederlanders met migratieachtergrond groeit naar 30 tot 40 procent
In de zeven toekomstbeelden die in het onderzoek zijn doorgerekend varieert het inwonertal in 2050 tussen de 17,1 en 21,6 miljoen. Het aantal inwoners met een Nederlandse achtergrond in 2050 komt tussen de 11,2 miljoen en 13,4 miljoen uit, afhankelijk van hoe vooral het geboortecijfer en de levensverwachting zich zullen ontwikkelen. Begin 2020 waren er 13,2 inwoners met een Nederlandse achtergrond.
Het aandeel inwoners met een migratieachtergrond stijgt van 24 procent in 2020 naar 30 procent in 2050 in het geval van lage migratie, en naar 40 procent in het geval van hoge migratie.

Verandering samenstelling groep Nederlanders met een migratieachtergrond
Omdat de landen waaruit Nederland immigranten ontvangt zijn veranderd, zal de diversiteit naar migratieachtergrond toenemen. Op dit moment heeft 60 procent van de inwoners met een migratieachtergrond wortels in de westelijke EU-lidstaten of in de klassieke migratielanden (Indonesië, Suriname, de voormalige Nederlandse Antillen, Turkije en Marokko).

Door de uitbreiding van de EU, de toegenomen instroom van arbeid- en studiemigranten uit onder meer Latijns-Amerika en Azië en de hogere instroom van asielmigranten uit het Midden-Oosten en Afrika, is dat aan het veranderen. In 2050 zal naar verwachting minder dan de helft van de bevolking met een migratieachtergrond nog wortels in de EU-lidstaten hebben of tot één van de klassieke migrantengroepen behoren. Hun aandeel daalt tot tegen de 40 procent in de toekomstvarianten waarin het migratiesaldo hoog is, en tot krap 50 procent in de variant met de minste migratie.

Zowel eerste als tweede generatie Nederlanders met migratieachtergrond groeit
Het aantal in het buitenland geboren inwoners met een migratieachtergrond (de zogenoemde eerste generatie) groeit in de verschillende varianten van 2,3 miljoen in 2020 naar 3,1 tot 4,9 miljoen over dertig jaar. Het aantal in Nederland geboren inwoners met een migratieachtergrond (de tweede generatie) groeit van 2,0 miljoen in 2020 naar 2,7 tot 3,5 miljoen.

Kabinet snel aan de slag met aanbevelingen Roemer

De risico’s op besmetting van arbeidsmigranten met het coronavirus vormen een acuut probleem. Het kabinet pakt de implementatie van de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten die gericht zijn op de korte termijn daarom met urgentie op. Het aanjaagteam, onder leiding van Emile Roemer, komt op een later moment met aanvullende aanbevelingen voor de langere termijn die zijn gericht op de structurele problematiek. Dat schrijft coördinerend minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een brief aan de Tweede Kamer.

Dit artikel verscheen eerder via Rijksoverheid.nl.
Bekijk hier het originele artikel, of lees hieronder verder.

Nieuwe huisvestingslocaties
De coronacrisis heeft de bestaande problemen rond arbeidsmigranten, zoals tekorten aan goede huisvesting en de afhankelijkheid van de werkgever, opnieuw onderstreept en zichtbaarder gemaakt. Het kabinet gaat daarom de realisatie van nieuwe huisvestingslocaties voor arbeidsmigranten stimuleren. Er komt een overzicht van regio’s waar de woonproblematiek het grootst is, en gemeenten worden actief benaderd om bestaande mogelijkheden zo goed mogelijk te benutten, zoals de beschikbaar gekomen gelden uit de woningbouwimpuls, de korting op de verhuurdersheffing voor initiatieven met flexwonen en de versnellingskamers flexwonen.

Verbeteren registratie
Om effectief beleid te kunnen maken is kennis over het verblijf van arbeidsmigranten onmisbaar. Arbeidsmigranten zijn net als iedereen verplicht om zich bij een verblijf van meer dan vier maanden in Nederland in te laten schrijven als ingezetene. In de praktijk blijkt echter dat arbeidsmigranten te vaak niet aan deze verplichting voldoen. Om dit probleem te ondervangen werken de ministeries van BZK en SZW en de Inspectie SZW intensief samen aan een plan van aanpak om de registratie van arbeidsmigranten te verbeteren. Vanwege de urgentie worden op korte termijn al de eerste stappen gezet.

Tijdelijke huurcontracten
Arbeidsmigranten die hun werk verliezen, komen vaak in de knel omdat zij voor woonruimte afhankelijk zijn van hun werkgever en geen huurbescherming hebben. Dit vormt niet alleen een huisvestingprobleem, maar ook een potentieel gezondheidsrisico, voor de arbeidsmigrant zelf en zijn omgeving. Volledige huurbescherming hoort bij een contract voor onbepaalde tijd. Deze contractvorm is bij arbeidsmigranten vaak niet aan de orde vanwege de beperkte duur van het werk. Het kabinet wil daarom in gesprek met belanghebbende partijen, waaronder werkgevers en huisvesters, over de mogelijkheid van het gebruik van tijdelijke huurcontracten die niet tussentijds kunnen worden opgezegd.

Informatieknooppunt
Het is voor arbeidsmigranten niet altijd duidelijk waar men terecht kan met vragen of meldingen van misstanden. Relevante informatie voor arbeidsmigranten moet gemakkelijk toegankelijk en in hun eigen taal beschikbaar zijn. Het kabinet neemt de aanbeveling over om een centraal informatieknooppunt te ontwikkelen. Samen met de gemeente Westland wordt een pilot opgezet waarbij wordt onderzocht op welke manier arbeidsmigranten het beste kunnen worden voorgelicht over arbeidsvoorwaarden, geïnformeerd kunnen worden over veilig en gezond werken in de sector waarin zij werkzaam zijn, en kunnen worden geactiveerd om hun rechten te effectueren.

Samenwerkingsplatform toezichthouders
De problematiek omtrent arbeidsmigranten raakt zowel verschillende onderdelen van de Rijksoverheid als van lagere overheden. Daarom is gecoördineerde actie nodig. Om dit in goede banen te leiden, wordt gewerkt aan een verbeterde samenwerking tussen partijen zoals de Inspectie SZW, de NVWA, de GGD en de veiligheidsregio’s. Hiervoor wordt onder andere op korte termijn een landelijk samenwerkingsplatform voor toezichthouders ingericht. Het samenwerkingsplatform zal daarbij coördinatie op het regionale niveau voorbereiden om snel te kunnen optreden bij een uitbraak in een bedrijf of een sector, zoals recent bij slachterijen. Om potentiële brandhaarden in risicosectoren te voorkomen zal het platform preventieve acties coördineren.

Minister Koolmees: “Ik wil het aanjaagteam bedanken voor de snelheid waarmee het zijn taken heeft opgepakt. Besmettingen in de vleesindustrie en de fruithandel maken pijnlijk duidelijk dat er maatregelen moeten worden getroffen om arbeidsmigranten te beschermen. Deze incidenten laten zien dat de problemen urgent zijn en dat de bescherming van arbeidsmigranten tegen het coronavirus niet kan wachten.”

Download hier de volledige kabinetsreactie inzake de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten.

 

Advies: arbeidsmigranten niet meer op één kamer

Uitzendbureaus moeten zorgen dat arbeidsmigranten in hun eentje op een slaapkamer kunnen liggen. Ook meerdere mensen vervoeren in een busje moet afgelopen zijn en werkgevers moeten beter registreren waar hun medewerkers wonen.

Dit artikel verscheen eerder via De Telegraaf.
Bekijk hier het originele artikel, of lees hieronder verder.

Dat staat in de eerste aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten. Dat adviseert onder leiding van oud-SP-leider Emile Roemer het kabinet over maatregelen die arbeidsmigranten moeten beschermen tegen het coronavirus.

Emile Roemer: „We hebben allemaal de problemen op het nieuws gezien de afgelopen weken. Het is zaak dat we nu heel snel handelen. Arbeidsmigranten moeten anderhalve meter afstand kunnen houden van anderen, net als iedereen in Nederland. Daarvoor moeten we strengere afspraken gaan maken, die ook gehandhaafd worden. Gelukkig heb ik gezien dat het op veel plaatsen al wel goed geregeld is. Het kan dus wel.”

De uitzendbranche wees eerder al op de moeilijkheden van dergelijke maatregelen. Zo lopen de kosten flink op als er voor meer woonruimte en alternatief vervoer gezorgd moet worden. Ook is er nu al een gebrek aan woonruimte.

‘Gebrek aan woonruimte’
„Het Aanjaagteam erkent dat er op dit moment gebrek aan woonruimte is, wat het lastig maakt om deze nieuwe norm op korte termijn landelijk te realiseren. Daarom adviseren wij het kabinet om te beginnen bij bedrijven met een hoog coronarisico. Zij moeten er direct voor zorgen dat hun arbeidsmigranten een eigen slaapkamer hebben. Ook los van corona is het onwenselijk dat mensen hun slaapkamer moeten delen met vreemden.”
Verder ontbreekt er volgens het advies vaak aan een goede administratie bij werkgevers, waardoor onduidelijk is waar arbeidsmigranten wonen. Uitzendbureaus en bedrijven moeten verplicht worden te allen tijde het woonadres en telefoonnummer of e-mailadres van hun medewerkers te kunnen geven. Ook zou vervoer met meerdere mensen in een busje afgelopen moeten zijn.

Het Aanjaagteam komt binnenkort met een tweede advies. „Nederland kent al jarenlang teveel misstanden rondom arbeidsmigranten. In Nederland wonen en werken ruim 400.000 arbeidsmigranten uit andere EU-landen. Zij hebben meestal tijdelijke contracten, verdienen vaak het minimumloon, wonen dicht op elkaar en reizen vaak gezamenlijk naar hun werk. Dat is een gevaar voor de gezondheid van de arbeidsmigrant, maar geeft ook risico’s voor de volksgezondheid.”

Europees Parlement wil betere omstandigheden voor arbeidsmigranten

“Gelukkig is het kwartje gevallen”, zegt Agnes Jongerius van de PvdA in Brussel over de meerderheid voor het verbeteren van arbeidsmigranten in Nederland. “Ook in Polen en Roemenië denken partijen nu: “Blijf met je poten van onze mensen af.”

Dit artikel verscheen eerder via EenVandaag.
Bekijk hier het originele artikel, of lees hieronder verder.

De afgelopen weken was het op meerdere plekken, met name in de vleesindustrie, raak. Er waren tientallen coronabesmettingen bij bedrijven met arbeidsmigranten. “En dat heeft alles te maken met het te dicht op elkaar wonen en te dicht op elkaar in een busjes zitten. We weten het al heel lang, ook de uitzendbureaus weten dat. Om de situatie van arbeidsmigranten te verbeteren is er dus nu een meerderheid voor een resolutie hierover in het Europees Parlement.

Hoop dat het helpt, maar denk het niet
“Ik hoop dat het werkt, maar ik denk het niet”, reageert directeur van Polska Porada, Hans Thunissen. Hij staat arbeidsmigranten bij in Nederland met informatie en advies. “Rotzooi onder de bedden, alles is kapot en die mensen worden erin gegooid. Ze betalen er flink voor. Het wordt ingehouden op het salaris en vaak weten de mensen niet eens dat ze teveel betalen”, vertelt hij.

Er moet volgens hem een veilige situatie zijn voor arbeidsmigranten. En dat is volgens Thunissen bij sommige uitzendbureau’s ook wel het geval, maar lang niet bij allemaal. Maar dat wil het Europees Parlement dus aanpakken. “Maar het moet ook gehandhaafd worden en dat gebeurt nu heel weinig. Er wordt gezegd: ‘Daar zijn geen mensen voor, er is geen geld voor’. Maar er moet zonder aankondiging gecontroleerd worden.”

Wetgeving uitzendbureau’s
Jongerius reageert op Thunissen: “Met deze resolutie geven we ook het signaal naar de eurocommissaris dat er verbetering moet komen, dat ze daarover landen gaat aanschrijven, dat ze in actie moeten komen. Het is mishandeling van de mensen. Dit kan gewoon niet op deze manier.”

De PvdA’er merkt wel dat de uitzendbureaus nu tegenstribbelen. “Ze gaan nu wel meteen piepen dat ze niet meer kunnen doen qua huisvesting zodat bewoners afstand kunnen bewaren van elkaar. Dat gaat ze teveel geld kosten, zeggen ze. De Europese wetgeving moet daarover worden aangepast. En ja, dat gaat tijd kosten, maar ik ben tot op het bot gemotiveerd om er voor te gaan.”

Boeren willen arbeidsmigranten van buiten EU om tekorten op te vangen

De belangenorganisatie voor boeren en tuinbouwers LTO Nederland wil dat Nederland mensen van buiten de EU toestaat om hier te helpen met de teelt en oogst van groenten, fruit en bloemen.

Dit artikel verscheen eerder via RTL Nieuws.
Bekijk hier het originele artikel, of lees hieronder verder.

De LTO doet de oproep in het Verkiezingsmanifest van de organisatie, dat het vandaag heeft gepubliceerd. Het is een wensenlijstje van de boeren en tuindersorganisatie aan politiek Den Haag.
De partij die het meeste van deze wensen in haar verkiezingsprogramma opneemt, maakt de grootste kans op de stemmen van boeren bij de verkiezingen volgend jaar. De organisatie heeft 35.000 leden. Tijdens de Tweede Kamerverkiezingen in 2017 zou dat goed zijn geweest voor een halve zetel.

Te springen om seizoensarbeiders
Er zijn meer arbeidsmigranten nodig om seizoenswerk te doen, is al langer te horen in boerenkringen. Dat komt door de soepel draaiende economie in de afgelopen jaren en de krapte op de arbeidsmarkt. Wat niet meehelpt is dat buurlanden vanwege de coronacrisis met belastingmaatregelen werkgevers steunen bij het inhuren van seizoensarbeiders.
De oplossing volgens de lobbyorganisatie: laat onder voorwaarden ook arbeidsmigranten van buiten de EU toe voor een periode van maximaal negen maanden. Er zou een grens moeten komen aan het aantal migranten, en werkgevers moeten zorgen voor goede huisvesting, een cao-loon en de noodzakelijke verzekeringen.

FvD en PVV tegen
De wens om arbeidsmigranten van buiten de Europese Unie toe te laten om hier te komen werken is opmerkelijk. Bij de felle boerenprotesten van vorig jaar werden de boeren nadrukkelijk gesteund door de PVV en Forum voor Democratie, partijen die tegen open grenzen zijn, constateert Het Financiële Dagblad.

Geen nieuw beleid alsjeblieft
Het manifest, getiteld ‘Een nieuwe kans voor goed beleid voor onze boeren en tuinders’ is verder vooral een oproep om de agrarische sector met rust te laten de komende jaren. Een nieuw vergezicht of een stip op de horizon is ‘niet de oplossing’. “Geef ons niet het zoveelste pakket van wet- en regelgeving, hoe goed bedoeld ook”, smeken de boeren.
In plaats daarvan zou de politiek de sector de ruimte moeten geven om zelf te bepalen hoe bepaalde doelen gehaald kunnen worden.

Stikstofdossier
De sector ligt onder een vergrootglas sinds de stikstofuitspraak van de Raad van State. Die zette een streep door tal van bouwvergunningen omdat deze in strijd met Europese natuurwetgeving zijn afgegeven. Omdat boerenbedrijven verantwoordelijk zijn voor een groot deel van de stikstofuitstoot, wil het kabinet dat de sector krimpt.

Zorgen om coronabesmettingen arbeidsmigranten, ‘breder onderzoek echt nodig’

Dit artikel verscheen eerder via NOS.nl
Bekijk hier het originele artikel, of lees hieronder verder.

20 procent van de personeelsleden van slachterij Vion in Groenlo is besmet met het coronavirus. Hoe het komt dat het besmettingspercentage zo hoog is, staat nog niet vast. Mogelijk speelt krappe huisvesting een rol.
Medewerkers van slachthuizen zijn vaak arbeidsmigranten uit Bulgarije, Roemenië en Polen. Via een uitzendbureau worden ze ingezet. “Ik ben geen viroloog, maar veel werknemers slapen samen, hoesten bijna over elkaar heen, gaan samen in een bus naar het werk en delen soms met wel 40 man een keuken. Dan is het lastig om anderhalve meter afstand te bewaren”, reageert Bart Plaatje van FNV.
Minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid zegt dat de slachthuizen die voor morgenavond onvoldoende aantonen dat zij al het mogelijke doen om coronabesmettingen te voorkomen, moeten sluiten. De inspecties zullen zich niet alleen richten op de situaties in de slachthuizen, maar ook hoe personeel wordt vervoerd en hoe ze wonen.

Risico’s in andere sectoren
Niet alleen in de vleessector, ook in de land- en tuinbouw, bouw en in distributiecentra werken arbeidsmigranten. Dick Veerman, hoofdredacteur van Foodlog, zegt in Met het Oog op Morgen dat het na coronabesmettingen in vleesverwerkende bedrijven, wachten is op besmettingen in andere sectoren. “Veiligheidsregio’s en GGD’s moeten dit nu onderzoeken en zich niet alleen richten op de slachthuizen”, vindt Veerman.
Van de naar schatting 400.000 arbeidsmigranten in Nederland, werken er 12.000 in de vleesindustrie. Veerman noemt het hoge besmettingsniveau van 20 procent in slachthuizen “alarmerend” en wil daarom breder testen. “Ik vind het onbestaanbaar dat dit niet breder onderzocht wordt in andere sectoren waar veel arbeidsmigranten werken.”

Vakbond FNV vraagt al langer aandacht voor leefomstandigheden van arbeidsmigranten. Vicevoorzitter Tuur Elzinga noemt het probleem ‘zeer actueel’ vanwege coronabesmettingen in slachthuizen: “De middeleeuwse situatie waarbij je baas ook je huisbaas is, moet afgelopen zijn.”
Het toezicht op de handhaving van coronamaatregelen is versnipperd. Elzinga: “De veiligheidsregio’s gaan over huisvesting, politie over vervoer, de arbeidsinspectie en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit over veiligheid.” In een brief pleit FNV voor een structurele aanpak.

Bart Plaatje: “Er wordt niet getest op corona in sectoren waar veel arbeidsmigranten werken, dus zeker weten doen we het niet. Het kan ook liggen aan de vleesverwerkende industrie. Mogelijk grijpt het virus daar sneller om zich heen om wat voor een reden dan ook. Maar ik geloof in deze situatie eerder in en/en, dan in en/of.”
Afgelopen weekend sprak Plaatje twee Bulgaren die bij Vion werkten, om persoonlijke redenen werden ontslagen en uit huis werden gezet. Ze hadden koorts, zijn naar de dokter gegaan en wachten de uitslag van de coronatest nu elders af. Plaatje wil vanwege dit soort voorbeelden dat arbeidsmigranten niet langer mogen wonen in huizen van hun uitzendbureau. “Scheiden van bed en brood moet nu echt eens geregeld worden.”
De ChristenUnie en de SP hebben in december een plan ingediend om de woon- en werkomstandigheden van arbeidsmigranten te verbeteren. Maandagmiddag debatteert de vaste Kamercommissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport hierover.

 

Aanjaagteam Arbeidsmigranten moet gemeenten opjagen

Een aanjaagteam onder leiding van oud SP-voorman Emile Roemer moet de onder meer de huisvesting van arbeidsmigranten bij gemeenten en provincies onder de aandacht brengen. Dat schrijft minister Koolmees van SZW aan de Tweede Kamer. Maandagmiddag spreekt de Kamer er over.

Dit artikel verscheen eerder via ReportersOnline.
Bekijk hier het originele artikel, of lees hieronder verder.

Huisvesting van arbeidsmigranten is al jaren een probleem en door de coronacrisis is dat alleen maar zichtbaarder geworden. Arbeidsmigranten wonen dicht op elkaar en toonden eerder op EenVandaag hun angst voor het coronavirus.
Dat is niet geheel onterecht: in Velp, bij Arnhem, werden dit voorjaar 10 van de 23 bewoners van een pand in Velp ziek door het coronavirus. Zij zijn in quarantaine gebracht op een schip in de Rijn. Koolmees erkent die huisvestingsproblemen. Het is niet goed voor de arbeidsmigranten zelf en niet goed voor vitale processen, zoals de voedselvoorziening.

Er was een Nationaal Akkoord, maar dat is jammerlijk gestrand. Na dat akkoord, in 2012, is er een kwaliteitskeurmerk gekomen. Maar daadwerkelijke huisvesting maar mondjesmaat. Dat komt vooral omdat gemeenten geen werk maken van huisvesting. Wel kennen gemeenten sancties. Zo is een Amsterdams bedrijf tienduizenden euro´s aan boetes kwijt, omdat het zijn werknemers kleinschalig in normale woningen onderbracht. Volgens het bedrijf gebeurde dat in met het kwaliteitskeurmerk goedgekeurde woningen en volgens. De geldende CAO-bepalingen. Amsterdam vond het ontduiking van de woonruimteregelgeving. En vond volgens de ondernemer dat de medewerkers maar in een hotel of een bungalowpark moesten worden ondergebracht en onderneemt geen actie om de migranten in Amsterdam te huisvesten.

Het aanjaagteam moet daar volgens Koolmees verandering in brengen en het team gaat breed te werk. ´De problematiek waarover het kabinet signalen binnen krijgt, is te onderscheiden in problemen op het gebied van werk, huisvesting, vervoer, zorg en grenzen´, schrijft hij aan de Kamer. Het aanjaagteam moet volgens hem werkgevers, provincies en gemeenten samenbrengen om de bescherming van arbeidsmigranten op regionaal niveau te organiseren.

´Tegelijkertijd zal er gezamenlijk met deze partijen en interdepartementaal worden gezocht naar maatregelen voor de bescherming van arbeidsmigranten op de korte en (middel)lange termijn´, schrijft de minister aan de Kamer. ´Dit kan resulteren in lokale oplossingen, maar ook dat er moet worden gekeken naar landelijk beleid´, schrijft de minister verder. ´Daarnaast zal het aanjaagteam monitoren of er sprake is van tekorten of overschotten aan arbeidsmigranten in deelsectoren en zo nodig stimuleren tot arbeidsbemiddeling.´

 

“Kenniscentrum Arbeidsmigranten: geen lobbyclub, wel feitenbolwerk”

Later dit voorjaar moet de oprichting van Het Kenniscentrum Arbeidsmigranten een feit zijn. Beoogd directeur Bart Verlegh streeft naar objectieve, onafhankelijke beeldvorming van arbeidsmigranten.

Dit artikel verscheen eerder in het magazine Flexmarkt (26e jaargang, editie april 2020).
Bekijk hier het originele artikel, of lees hieronder verder.

‘800.000 Oost-Europese arbeidsmigranten pikken banen van Nederlanders in.’ Als het aan Het Kenniscentrum Arbeidsmigranten ligt, behoren dergelijke interpretaties van cijfers tot het verleden. “In dit specifieke geval ging het niet om zo’n grote hoeveelheid Oost-Europeanen. En ook de invloed op de banen van Nederlandse werknemers bleek verwaarloosbaar klein”, zegt Bart Verlegh, beoogd directeur van het Kenniscentrum Arbeidsmigranten. Wie nu denkt dat dit centrum streeft naar louter positieve beeldvorming rondom arbeidsmigranten, heeft het mis. Verlegh: “We willen juist wegblijven van lobbyisme en politiek. Ook eventuele misstanden zullen we melden. Het gaat ons om objectiviteit, onafhankelijkheid en transparantie.”

Onderbouwing
Initiatiefnemers van het Kenniscentrum Arbeidsmigranten zijn Frank van Gool en Karolina Swoboda van arbeidsbemiddelaar
OTTO Work Force. Beiden zullen zitting nemen in het op te richten stichtingsbestuur. Maar Verlegh benadrukt dat het
Kenniscentrum geen verlengstuk wordt van OTTO Work Force. “Er komen ongeveer tien bestuurders, ieder met een andere
achtergrond met arbeidsmigranten. Op die manier waarborgen we de objectiviteit.” Als alles volgens plan verloopt,
krijgt Het Kenniscentrum Arbeidsmigranten in april of mei groen licht om een daadwerkelijke start te maken. Hoe denkt
Verlegh onjuiste berichtgeving over arbeidsmigranten te gaan bestrijden? “Ik heb niet de illusie dat misleidende nieuwsberichten helemaal niet meer gaan voorkomen. Wel kan Het Kenniscentrum Arbeidsmigranten aan ieder die dat wil, kennis en expertise over het onderwerp ter beschikking stellen. Zodat bijvoorbeeld goed onderbouwd beleid kan worden gemaakt.”

Thema’s uit de samenleving
Ook uitzenders kunnen straks dus bij Het Kenniscentrum Arbeidsmigranten terecht. Ze kunnen online grasduinen in alle wetenschappelijke publicaties en onderzoeksrapporten over arbeidsmigranten. Daarnaast kunnen ze hun vragen over arbeidsmigranten stellen aan experts. En verder heeft het Kenniscentrum een netwerkfunctie: als ze de uitzenders niet zelf kan helpen, kan ze hen doorverwijzen naar relevante andere instanties. Verlegh: “Centraal bij ons staat de kennis op het gebied van de thema’s werken, wonen, integratie en cultuur. Arbeidsmigranten vormen een volwaardige doelgroep in Nederland. Deze thema’s spelen dan ook in onze samenleving en ze raken elke uitzender die met arbeidsmigranten te maken heeft. Wij gaan dus ook uitzenders desgewenst voeden met objectieve informatie over deze onderwerpen.”

 

Achter de cijfers: Arbeidsmigranten

Econoom en journalist Martin Visser analyseert het verhaal achter de cijfers. Dit keer over arbeidsmigratie.
Arbeidsmigratie staat weer voluit op de politieke agenda. Terwijl het CBS de prognose van de bevolkingsgroei fors heeft verhoogd, vraagt menig politicus zich af: hebben we meer of minder arbeidsmigranten nodig? 

 Bekijk hier het originele artikel, of lees hieronder verder.

Groeispurt
De Nederlandse bevolking groeit en groeit. Momenteel is de totale bevolking 17,3 miljoen mensen. Door de vergrijzing vlakt de groei van de bevolking af. In de prognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een jaar geleden zou de bevolking in 2060 stabiliseren op circa 18,6 miljoen mensen.
Maar het CBS heeft in december jongstleden de prognose flink omhoog bijgesteld. Nu gaan de statistici ervan uit dat die 18,6 miljoen al rond 2032 wordt bereikt en dat de bevolking doorgroeit tot bijna 19,6 miljoen in 2060. Dat is een bijstelling omhoog met 931.048. Niet gering.

Veel details over deze bijgestelde prognose zijn nog niet bekend. Wel maakte het CBS duidelijk dat het aantal geboortes lager uitpakt dan eerder verwacht en het aantal immigranten hoger:
“Ten opzichte van de prognose uit 2018 zijn er vooral aanpassingen bij migratie en geboorten. In de toekomst worden meer immigranten maar ook meer emigranten verwacht. Het verwachte kindertal op de lange termijn is in de nieuwe prognose verlaagd van 1,75 naar 1,70 kinderen per vrouw.”

Mijn eerste idee was dat hiermee de vergrijzingsdruk flink zal afnemen. De kans dat er seniore migranten naar Nederland komen lijkt me immers niet zo groot. Het zullen voornamelijk 65-minners zijn. Het aandeel 65-plussers is inderdaad lager in de nieuwe prognose, maar ook weer niet zodanig dat alle vergrijzingszorgen over zijn:

In de oude prognose was er een piek van 26,1% 65-plussers in 2040. In de nieuwe vooruitblik is dat 25,5% in 2039. In 2060 is het verschil in het aandeel 65-plussers nog maar 0,4 procentpunt.
De Tweede Kamer heeft aan de regering gevraagd met scenario’s te komen. Dat kaartte Klaas Dijkhoff van de VVD al aan tijdens de Algemene Beschouwingen in 2018, dus nog voor de omhoog bijgestelde prognose. Het risico is altijd dat je met bevolkingspolitiek in een gemakkelijk escalerende discussie terecht komt. Maar mij lijkt het wel zinnig om gewoon heel feitelijk en reëel naar deze cijfers te kijken.
Inmiddels zijn het NIDI, CBS, CPB, SCP, PBL én het RIVM druk aan het werk. Onlangs kwam een tussenstand van dat onderzoek uit. Maar er volgt nog meer. Het belooft een enorm project te worden, want er wordt gekeken naar de gevolgen voor de gezondheidszorg, voor wonen, onderwijs, arbeidsmarkt, sociale zekerheid en pensioenen. Een hele klus lijkt me. Zeker omdat er nog zoveel onduidelijk is in de voorspelling van het CBS. Uiteraard is zo’n prognose met veel onzekerheid omgeven. Maar om de gevolgen voor bijvoorbeeld sociale zekerheid te weten, moet wel duidelijk zijn wat voor mensen van welke leeftijden Nederland de komende decennia binnenkomen. Die duidelijkheid is er (nog) niet.

Blik Polen
Nederland heeft arbeidsmigranten hartstikke hard nodig. Dat is de duidelijke boodschap van werkgevers. Rob Slagmolen, secretaris sociale zaken bij werkgeversorganisatie VNO-NCW, verwoordt het zo:
„Denk goed na wat je doet. We hebben arbeidsmigranten heel hard nodig. Voor de bouw van je huis, om je pakketje bezorgd te krijgen, om die innovatieve machines van chipmachinefabrikant ASML het land uit te schuiven, voor de komkommer op je bord.”

Dat de ene CDA’er na de andere begint over beperking van immigratie, waarmee mogelijk ook arbeidsmigratie wordt geraakt, doet Marc Calon, voorzitter van land- en tuinbouworganisatie LTO Nederland dan ook af als ‘verkiezingsretoriek’.
Heel recente cijfers zijn er helaas nog niet, maar uit de cijfers die het CBS wel heeft over 2010-2017 is duidelijk een trend zichtbaar. Het aandeel buitenlandse werknemers in Nederland – zowel niet-Europese kennismigranten als Europese arbeidsmigranten – neemt jaar op jaar toe. In Nederland zijn ruim 8 miljoen banen en ruim 800.000 buitenlandse werknemers. 10,2% van de banen worden nu vervuld door niet-Nederlanders. Dat zijn overigens tijdelijk en niet-tijdelijke migranten bij elkaar opgeteld.

Van die dik 800.000 buitenlandse werknemers komen er circa 500.000 uit Europa. En binnen die EU-migratie gaat het voor het overgrote deel om Polen.

Nu is er in de politiek steeds meer kritiek op het vrij verkeer van personen binnen de EU. Die kritiek komt niet alleen van de rechterflank, maar ook van bijvoorbeeld PvdA, SP en ChristenUnie. Vakbond CNV roert zich ook al enige tijd. CNV-voorzitter Piet Fortuin maakt zich zorgen over de arbeidsmarktpositie van zijn achterban:
“Werkgevers denken: weet je wat, ik trek wel een blik Oost-Europeanen open. Ze nemen een bureautje in de arm en laten die Polen en Roemenen ophalen. Maar je kunt ook investeren in het Nederlandse arbeidspotentieel. Ondanks de lage werkloosheid zijn er nog zo’n 1 miljoen Nederlanders inzetbaar.”

Het zijn begrijpelijke zorgen van de vakbond. Tegelijkertijd aarzelt CNV ook. De grenzen dichtgooien is geen oplossing, als het al zou kunnen. Heel voorzichtig oppert Fortuin om strenger te zijn bij het toelaten van arbeidsmigranten:
„Ik zou een soort filter willen en afstappen van het automatisme dat je altijd mensen hier naartoe kunt halen. Als een werkgever weer honderden werknemers uit het buitenland wil halen, zou je op zijn minst de vraag moeten stellen: hoeveel heb je al gedaan aan werving en begeleiding van Nederlandse arbeidskrachten? In de meest vergaande vorm zouden we naar een vergunningenplicht moeten. Dat kun je in Brussel regelen.”

De economen die ik sprak voor mijn verhaal wuiven de zorgen over verdringing van Nederlandse werknemers een beetje weg. Toch staat helemaal niet vast dat er van verdringing geen sprake is. Het Centraal Planbureau (CPB) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) deden onderzoek naar verdringing van ouderen door jongeren, van lager opgeleiden door hoger opgeleiden en van Nederlanders door niet-Nederlanders. Keihard bewijs voor verdringen vond het CPB niet, maar helemaal uitsluiten doen de onderzoekers het ook niet.
“We vinden in dit boek voor de meeste groepen geen aanwijzingen dat er sprake is van verdringing op de arbeidsmarkt, behalve voor mensen aan de onderkant daarvan. (…) Dat wil niet zeggen dat er helemaal nooit sprake is van verdringing: het kan wel spelen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. In enkele studies zien we aanwijzingen voor verdringing door laagopgeleide migranten en mensen met een middelbaar of hoog opleidingsniveau.”

Interessant is dat niet alleen onderzocht werd of verdringing aantoonbaar plaatsvond, maar ook hoe het werd ervaren door mensen zelf. Dat deel nam het SCP voor zijn rekening. En wat blijkt? Vooral onder lager opgeleiden wordt wel degelijk verdringing ervaren. 35% van de mensen met een vmbo-opleiding ervaart minder kansen op werk door de komst van migranten van buiten de EU en 44% ziet minder kansen door open grenzen binnen de EU. Opvallend genoeg schuiven de onderzoekers deze resultaten niet zomaar terzijde.

Hoewel we op basis van de wetenschappelijke literatuur en onze eigen analyses alleen enkele aanwijzingen vinden voor verdringing aan de onderkant van de Nederlandse arbeidsmarkt, geven burgers in de leeftijd van 16-67 jaar die wij voor dit onderzoek hebben ondervraagd, aan wel in grotere mate verminderde arbeidsmarktkansen te hebben als gevolg van een toestroom van de nieuwe groepen arbeidsaanbod die wij in dit rapport hebben bestudeerd.
“Deze ervaren verdringing ligt hoger dan de feitelijk gemeten verdringing. Daarvoor zijn een aantal verklaringen denkbaar. Een deel zou verklaard kunnen worden door de manier waarop verdringing is gemeten. Vanwege databeperkingen zijn de gevolgen van de toestroom van nieuw arbeidsaanbod alleen weergegeven in termen van veranderingen in de werkgelegenheid en lonen, en niet in termen van veranderingen in de contractvorm of inhoud van de functie.”

Gelukkig geven de onderzoekers dus toe dat het bewijzen van verdringing nog niet zo eenvoudig is. De lonen kunnen door migratie onder druk komen te staan, maar de mate van zekerheid in de vorm van een arbeidscontract kan ook worden beïnvloed door arbeidsmigratie.
Ondertussen wil D66 meer arbeidsmigranten toelaten. Daarbij mikt de partij vooral op lager opgeleide niet-Europeanen. Nu wordt voor kenniswerkers een flinke inkomenseis gesteld. Het is een goede aanleiding om verder na te denken over de plussen en minnen van arbeidsmigratie. Voor de economie is het goed, maar wat betekent het maatschappelijk?

 

 

 

Paul Scheffer, 20 jaar na zijn essay: Migratie is maakbaar

Ik heb het aantal vluchtelingen overschat en het aantal immigranten onderschat, schrijft Paul Scheffer twintig jaar na zijn geruchtmakende essay ‘Het multiculturele drama’. „De buitenstaanders van gisteren zijn de gevestigden van morgen.” 

Op 29 januari is het twintig jaar geleden dat het essay ‘Het multiculturele drama’ van Paul Scheffer in NRC Handelsblad werd gepubliceerd. Dat stuk maakte veel los, zowel maatschappelijk als in het politieke debat. NRC onderzoekt in een serie artikelen de multiculturele samenleving anno 2020. Bekijk hier de artikelen op de website van NRC, of lees hieronder verder.

 

Vorige maand zat ik in een forum bij de presentatie van de biografie van Ahmed Aboutaleb. Naast me zat een Amsterdams raadslid, kind van Marokkaanse migranten. „Ik heb geen verhaal over een ezel en een waterput”, begon hij zijn bijdrage. „Ik ben hier geboren en vertegenwoordig een andere generatie: hoezo moet ik integreren?”
Uit Soufyan Mbarki’s woorden sprak waardering voor de rol van de burgemeester van Rotterdam, maar tegelijk was duidelijk dat hij diens manier van spreken over integratie achterhaald vond. „We zijn inmiddels verder.” Dat zelfbewustzijn, waarin ook ongeduld doorklonk, sprak me aan.

In de biografie komt ook Aboutalebs reactie op Het multiculturele drama ter sprake, een beschouwing die ik twintig jaar geleden schreef. Hij zei daarover: „Ik heb het één keer gelezen, twee keer gelezen, drie keer gelezen. Ik vond het een integer werkstuk.” Dat was een belangrijke stem, want er waren nogal wat critici die mijn beschouwing in een extreme hoek plaatsten.
Na het gesprek over de biografie vroeg ik me af of mijn ‘multiculturele drama’ niet te veel over de eerste generatie gaat. Heeft het wel iets te zeggen dat de kinderen van migranten zou kunnen aanspreken? Misschien zijn de vragen die ik oprakelde ook wel achterhaald. Inderdaad: hoezo integratie? We zijn toch veel verder?
Mijn conclusie was destijds: „Het huidige beleid van ruime toelating en beperkte integratie vergroot de ongelijkheid en draagt bij tot een gevoel van vervreemding in de samenleving. De tolerantie kreunt onder de last van achterstallig onderhoud.” En ik voegde een zin toe: „Het multiculturele drama dat zich voltrekt is dan ook de grootste bedreiging voor de maatschappelijke vrede.”
Nu zou ik zo’n essay niet meer schrijven. Te midden van alle tegenstellingen ben ik op zoek gegaan naar wat mensen bijeen kan brengen: een gedeelde toekomst weegt zwaarder dan een verdeelde herkomst. Maar als ik de omstandigheden van twintig jaar geleden voor ogen haal, zou ik met dezelfde onrust schrijven.
Wat ik heb geleerd is dat het verhaal van de migratie begint met het verlies van een vertrouwde wereld. De moeder uit de Marokkaanse gemeenschap die tegen me zei: „Ik heb het gevoel dat ik mijn kinderen aan jullie land kwijtraak.” Of een autochtone buurtbewoner die in een gesprek opmerkte: „De Nederlandse jongens hebben het op straat verloren van de Marokkanen.”
Zowel nieuwkomers als gevestigden ervaren dat verlies. Veel autochtonen vinden dat migranten zich meer moeten aanpassen, terwijl veel migranten juist vinden dat deze samenleving meer open moet staan voor hun tradities. Dat vraagt aan alle kanten om inlevingsvermogen.

In honderden ontmoetingen heb ik veel geleerd van de mensen achter de getallen – en toch ontkomen we er niet aan om ook te spreken over de getallen achter de mensen.
We zijn nu twintig jaar verder, hoe staan we er voor? Terugkijkend heb ik de groei van de immigratie onderschat. Destijds was integratie de blinde vlek, nu is immigratie de blinde vlek. De samenhang tussen beide wordt nog steeds niet echt overdacht. Toen was mijn conclusie dat een land waar de integratie haperde, niet voorop zou moeten lopen in het aantrekken van arbeidsmigranten of het opnemen van vluchtelingen.
Hoe staat het er twintig jaar later voor? Om te beginnen heb ik het aantal vluchtelingen overschat. Ik dacht destijds – met de vluchtelingen uit Joegoslavië in het achterhoofd – dat we misschien wel op een miljoen mensen zouden uitkomen. Sinds 1980 zijn ongeveer 750.000 asielverzoeken in ons land ingediend. Er zijn nogal wat mensen weggetrokken – denk aan de Somaliërs naar Engeland. Alles bijeen worden de vluchtelingengemeenschappen door het CBS twee jaar geleden op een half miljoen mensen geschat.

De totale immigratie, die ook bijvoorbeeld arbeidsmigratie omvat, heb ik echter onderschat. Kort gezegd: de omvang van de immigratie was nooit groter dan in de afgelopen tien jaar. Ik zet even het migratiesaldo (het verschil tussen immigratie en emigratie) sinds de jaren zestig op een rij. Per decennium was het jaarlijks gemiddeld: 8.603, 32.326, 20.695, 34.767, 10.822, en ten slotte voor de periode 2010-2019: 54.626.
Voor het goede begrip: in de jaren van de kabinetten-Rutte is het migratiesaldo ruim vijf keer hoger dan onder de kabinetten-Balkenende en ruim anderhalf keer zo hoog als onder de kabinetten-Kok. Dat is goed om bij stil te staan, want de bezweringen over restrictief beleid waren de afgelopen tien jaar niet van de lucht.

Het CBS heeft recent zijn prognoses aangepast. Van de 18,4 miljoen mensen die voor 2060 werd voorspeld, zitten we nu op 19,6 miljoen. In 2017 werd de immigratieprognose, die lang stabiel op 125.000 jaarlijks stond, verhoogd naar 225.000. En twee jaar later is deze alweer verhoogd naar 300.000. Dat komt in de buurt van het aantal migranten dat een groot land als Canada jaarlijks aantrekt. Ook de schatting van de emigratie is naar boven bijgesteld.
Deze prognoses reiken tot 2060, dus de optelsom van zulke aanpassingen gaat uiteindelijk over heel veel mensen. Een verschuiving van het jaarlijkse migratiesaldo met 20.000 resulteert veertig jaar later in 1,2 miljoen mensen meer of minder. De onzekerheidsmarge is fors toegenomen: de bevolking zal uitkomen tussen de 18,1 en 21,2 miljoen.
Bestuurders baseren hun planning voor woningbouw, gezondheidszorg, energieverbruik en onderwijs op zulke schattingen. De afgelopen decennia hebben de prognoses vaak achtergelopen bij de dynamiek van de immigratie, die voor bijna negentig procent de bevolkingsgroei bepaalt. Het verbaast mij niet dat we mede door deze groei tekorten zien op de woningmarkt.

Bouwen op drijfzand
De voorspellingen zijn steeds meer drijfzand geworden. En op drijfzand kun je beter niet bouwen. Daarom moeten we een omslag maken. Niet schattingen maar wenselijkheden moeten leidend zijn. Dat noemden we vroeger democratie: een geïnformeerd debat over de richting van het land. Vervolgens denken we na hoe de afstand kleiner kan worden tussen wat we willen en wat we kunnen.
In de politiek heerst rond dit vraagstuk een gevoel van onmacht: we denken dat migratie niet maakbaar is. In de praktijk bepalen markt en moraal het beleid. Natuurlijk horen belangen van het bedrijfsleven wat betreft arbeidsmigratie mee te wegen, en humanitaire beginselen als het gaat om vluchtelingen. Maar ook het sociaal contract in de samenleving hoort een belangrijke toetssteen te zijn.
Immigratie en integratie zijn van elkaar los gezongen. Dat is onterecht, want wie precies kijkt naar de integratieopdracht in deze samenleving, gaat zich vragen stellen bij het ontbreken van een immigratiebeleid. Op beide terreinen hebben we geen volwaardige bewindspersoon: een minister doet integratie erbij en we hebben een staatssecretaris die asiel doet, maar geen arbeidsmigratie.
De toegang tot staatsburgerschap raakt de grondslag van een samenleving: het lijkt op een constitutionele kwestie. Een regering zou daarom op terreinen van immigratie en inburgering altijd moeten streven naar meerderheden van tenminste tweederde. Nu blijven we na elke verkiezing met net weer andere meerderheden beleidswijzigingen op elkaar stapelen.
Het is tijd voor migratietafels: een breed opgezet gesprek over de toekomst. Het onderzoek dat dit voorjaar is afgerond naar de scenario’s van bevolkingsgroei moet tot keuzes leiden. De mensen die zeggen dat migratie niet te beïnvloeden is, omschrijven de huidige migratie graag als een ‘feit’. Maar die feiten zijn het uitvloeisel van eerdere keuzes, die vatbaar zijn voor heroverweging.
Twintig jaar geleden heb ik ook de sociale mobiliteit tussen de generaties onderschat toen ik schreef dat „hele generaties” dreigden te mislukken. Het ging me om een nieuwe „sociale kwestie”, waarvan de scherpte onvoldoende werd gezien. Ik voel nog steeds de aandrang om over achterstanden te spreken, maar de omstandigheden zijn sindsdien wel veranderd.

Destijds schreef ik in een reactie op alle kritiek: „Een samenleving die talentvolle migranten te weinig ruimte biedt, zal een prijs betalen. Hier moet nog veel gebeuren: het betekent een verandering in de samenstelling van krantenredacties, van het politiekorps, van de besturen van culturele instellingen, van het bedrijfsleven.” (NRC, 25/3/2000).
Hoe staat het nu met de sociale mobiliteit? Dat laat zich niet in één beeld vangen. De een zal zeggen: het is fantastisch dat zoveel kinderen uit Marokkaanse of Turkse gezinnen het aanmerkelijk beter doen dan twintig jaar geleden. En wie zal dat willen ontkennen? De ander zal, met een beroep op dezelfde cijfers, zeggen dat die kinderen nog steeds achterlopen bij autochtone leerlingen. En ook dat is waar. Daarom kan er zoveel politiek worden bedreven met de cijfers.

Kijken we bijvoorbeeld naar de kinderen die havo of vwo doen. Van de kinderen met een Nederlandse achtergrond gaan 49 procent dit schooltype, van de kinderen met een Turkse en Marokkaanse achtergrond respectievelijk 27 procent en 32 procent. In dat beeld zien we reële vooruitgang: de deelname was beduidend lager. En tegelijk is de achterstand nog steeds zichtbaar.
De verschillen zijn groot tussen nieuwe migranten: kinderen uit Iraanse gezinnen komen zelfs meer in het hoger onderwijs terecht dan kinderen met een Nederlandse achtergrond. Met kinderen uit Somalische gezinnen gaat het juist minder goed. De diversiteit van de diversiteit laat zich steeds minder vangen in algemeenheden over geslaagde of mislukte integratie. Gemiddelden vertellen altijd het halve verhaal.
Denk nog even terug aan de Cito-scores. Toen ik me daar jaren geleden in verdiepte, bleek dat in een stad als Amsterdam bijna een kwart van de leerlingen niet aan de toets deelnam omdat hun niveau onvoldoende werd geacht. Dat betrof vooral kinderen uit migrantengezinnen. Het risico was dat ze niet onderaan, maar naast de maatschappelijke ladder terechtkwamen. Ik dacht: daar moeten we het over hebben.

Arbeidsparticipatie van migranten
We zien duidelijke verschillen in arbeidsparticipatie van migranten. Ook daar werkt de geschiedenis van de gastarbeid lang door. Er is zeker vooruitgang tussen de generaties in Marokkaanse of Turkse kring, maar het Jaarrapport Integratie 2018 geeft een genuanceerd beeld van de tweede generatie: „Het aandeel dat afhankelijk is van een uitkering is niet of maar weinig lager dan leeftijdsgenoten uit de eerste generatie. Onder hen is het aandeel werkenden op middelbare leeftijd (35 tot 50 jaar) wel flink hoger.”
Poolse migranten doen het momenteel in alle opzichten een stuk beter dan de tweede generatie van de klassieke migrantengroepen. Hun arbeidsparticipatie ligt op het niveau van mensen met een Nederlandse achtergrond. Het aantal mensen uit Irakese en Syrische vluchtelingengemeenschappen dat werkt, is daarentegen erg laag. Ook hier geldt dat de diversiteit van de diversiteit te groot is om nog onder één noemer te kunnen brengen.
Door nadruk te leggen op de tweede generatie onderschatten we wel dat door de migratie het aantal nieuwkomers groot blijft. Bij een migratiesaldo van 50.000 zal in 2060 de eerste generatie zo’n 3,9 miljoen mensen omvatten (nu is dat 2,2 miljoen), de tweede generatie omvat dan iets meer dan 3,4 miljoen mensen. De integratieopdracht die samenhangt met een eerste generatie zal bij ons blijven.
Dus ja, we moeten het hebben over de onmiskenbare vooruitgang, over al die migranten en hun kinderen die hier hun plek hebben gevonden en veel bijdragen. De economische balans van de naoorlogse migratie is niet eenduidig positief, maar achter die balans gaan de levens schuil van vele nieuwkomers die dit land hebben verbeterd. Daarover moeten we blijven spreken.
Migratie is nooit gemakkelijk – ook het verhaal van de kinderen is vaak een verhaal van het overwinnen van obstakels. Zo vertelt traumachirurg Abdelali Bentohami: „In de tweede generatie waren we pioniers, we moesten het zelf uitvinden. Ik vergelijk het met zeeschildpadden: de moeders leggen eitjes op het strand en gaan dan weg. Ze worden geboren en moeten zichzelf voeden, daarom is de sterfte zo hoog bij die dieren.” (de Volkskrant, 12 maart 2019).

Niet wegkijken
Te midden van de vooruitgang zien we achterstanden die door discriminatie worden versterkt. Het blijkt telkens opnieuw uit onderzoek dat de achternaam van sollicitanten, helemaal los van kwalificaties, tot ongelijke kansen op een baan leidt. Daarvoor zijn geen excuses: een land dat gelijke behandeling vooropstelt, mag niet wegkijken.
Maar deze discriminatie verklaart zeker niet alle achterstanden: niemand kan namelijk verwachten dat de kinderen van laagopgeleide migranten in één generatie alles inhalen. Dat kost meer tijd. Die langetermijngevolgen moeten meewegen in de keuzes wat betreft toekomstige migratie, maar we leren weinig van de geschiedenis van de gastarbeid.

Opnieuw is het verdienmodel van ondernemers de enige maatstaf van arbeidsmigratie. Nu komt die uit Oost-Europa. Ik heb nooit begrepen waarom een deel van de progressieve goegemeente dat verdedigt. Wanneer mensen straks niet meer nodig zijn, worden de problemen weer afgewenteld op de samenleving. Zo worden private winsten tot publieke zorgen. Wie voelt zich straks verantwoordelijk voor hun kinderen die met een taalachterstand op school beginnen?
Wat ik twintig jaar geleden heb onderschat, is de problematiek rond de islam. Het was nog voor 11 september, voor de moord op Theo van Gogh, voor de reeks aanslagen en voor de terugkerende Syriëgangers. Waar ik me toen over verwonderde, waren zaken als de poging van hoofdcommissarissen om een hoofddoek aan het politie-uniform toe te voegen. Iets waar ik nog steeds geen voorstander van ben.
Voor mij was het eenvoudig: aan politieagenten, die het recht hebben anderen hun vrijheid te ontnemen, moeten we hogere eisen van neutraliteit stellen. Het uniform suggereert niet voor niets de behoefte aan uniformiteit. Door meer zekerheid te bieden kan rust gebracht worden. Dat we het zoveel jaar later nog steeds hebben over de hoofddoek bij de politie is verwijtbaar.
Maar dat het geweld zo’n schaduw zou werpen over de moslimgemeenschappen, dat viel buiten mijn voorstellingsvermogen. We hebben inmiddels jaren van radicalisering achter de rug, al worden aanslagen graag gezien als het werk van verwarde geesten. Ik zou naast aandacht voor psychologie, meer aandacht willen voor ideologie. Waarom maken de loszittende draadjes in het hoofd van een terrorist precies op dat punt kortsluiting?

Zuivere leer
Ideeën doen ertoe, zoals de burgemeester van Amsterdam, Femke Halsema, vorig jaar aan de gemeenteraad schreef. De manier waarop „een zogenaamd zuivere leer met dwang en intimidatie” wordt opgelegd aan anderen baart haar zorgen. Ze ziet hoe het salafisme overhelt naar „een fundamentalistische, agressieve afkeer van de democratische rechtsstaat”.
We zijn in Nederland onlangs getuige geweest van drie aanslagen in een jaar tijd: Malek F. in Den Haag, Jawed S. in Amsterdam en Gökmen T. in Utrecht. Voor het eerst waren er bij die laatste aanslag doden te betreuren, nadat bij de eerdere aanslagen mensen zwaargewond raakten. Zeker, in Frankrijk en Groot-Brittannië is de situatie ernstiger, maar er is genoeg reden om ons oprecht zorgen te maken.
Die zorgen lopen gemakkelijk over in een algehele afwijzing. Wanneer 55 procent van de Europeanen, zo blijkt uit een onderzoek van Chatham House, het eens is met een algehele stop op immigratie uit moslimlanden, dan is er iets erg misgegaan. Want een migratiebeleid op basis van geloof ontwricht een open samenleving. De slotsom is dat de vervreemding over en weer vooralsnog is gegroeid.

Helemaal los van radicalisering zijn er culturele verschillen die bijdragen aan deze vervreemding. Een voorbeeld: uit een vergelijking van Rotterdam en Amsterdam blijkt dat in deze steden meer dan tachtig procent van de autochtonen, maar ook van de Surinaamse of Antilliaanse migranten een homoseksuele leerkracht voor de klas geen probleem vindt. Meer dan de helft van de Marokkaanse en Turkse respondenten zegt dat wel een probleem te vinden.
De andere helft dus niet – die verschillen moeten we blijven zien. Er zijn genoeg moslims die hun geloof verzoenen met een open samenleving. De socioloog Ruud Koopmans ziet hoezeer het fundamentalisme de islamitische wereld beïnvloedt, maar waarschuwt ervoor islam en fundamentalisme te vereenzelvigen: „Het is zeker geen universeel en onontkoombaar onderdeel van de geloofsbeleving van moslims”. Er staat veel op het spel. De leerstellige moskeeën worden al te vaak gefinancierd door landen als Saoedi-Arabië, ze zijn beter georganiseerd en worden daarom door veel overheden als gesprekpartner gezien. De vrijzinnige en seculiere stemmen zijn kwetsbaar en minder zichtbaar. Maar ze zijn er wel – we moeten beter leren kijken en luisteren.
Mijn verwachting dat de secularisering ook deze geloofsgemeenschappen zou raken, is voorlopig niet uitgekomen. Integendeel, onderzoek laat zien dat mensen met een Marokkaanse of Turkse achtergrond zich nog steeds in overgrote mate, namelijk rond de negentig procent, zien als gelovig. Dat is een verrassende ontwikkeling, die gevolgen heeft.

Discriminatie op de huwelijksmarkt
Tot nog toe trouwen bijvoorbeeld maar weinig moslims buiten de eigen gemeenschap. Ruim zestig procent van de Marokkaanse en Turkse Nederlanders zeggen het „vervelend” te vinden als hun dochter met een niet-moslim zou trouwen. De omgekeerde vraag mogen we ook stellen. Discriminatie op de huwelijksmarkt kan even venijnig zijn als discriminatie op de arbeidsmarkt.
Het gaat niet om een schuldvraag: dat mensen die in illiberale samenlevingen zijn opgegroeid vaak traditionele opvattingen over zulke kwesties huldigen, kan niemand verbazen. Maar het mag ook niemand verbazen wanneer een meer liberale samenleving er veel moeite mee heeft om met zulke ideeën in aanraking te komen.
De grondslag van alle integratie is wederkerigheid: de vrijheid van de een is een verantwoordelijkheid van de ander. Concreet betekent dat: wie het recht van godsdienstvrijheid voor zichzelf opeist, moet ook bereid zijn om die vrijheid te waarborgen voor mensen met een andere godsdienst of zonder godsdienst. Het onderwijs in burgerschap moet beter in de wet worden verankerd, zoals de regering wil.
Het is wel duidelijk dat nogal wat mensen – binnen én buiten de moslimgemeenschappen – deze wederkerigheid niet omarmen. Ze eisen een monopolie voor hun eigen overtuigingen. Dat mag in een liberale democratie – ook in een open samenleving kun je een gesloten wereldbeeld aanhangen –, maar als het grotere groepen worden komt de democratie onder druk te staan.
Mijn conclusie is dat we nu beter de risico’s van radicalisering onderkennen – ook aan de extreem-rechtse kant – maar er nog onvoldoende in slagen om de tolerantie te bewaken. De godsdienstvrijheid staat onder druk: te veel mensen vinden dat de islam niet in de democratie past en te veel mensen vinden dat de democratie niet in de islam past. De buitenstaanders van gisteren zijn de gevestigden van morgen.

Ten slotte heb ik onderschat hoe gevoelig het pleidooi voor taal- en cultuuroverdracht ligt. We zitten midden in een verandering van de verbeelde gemeenschap die Nederland is. Migratie verandert niet alleen de materiële orde van een samenleving, maar meer nog de symbolische orde. Daar ontvlammen de gevoelens: Gouden Eeuw, roetveegpiet, boerka, slavernij.
Wie verandering door immigratie ziet als een opeenvolging van vermijding, conflict en aanvaarding, schrikt iets minder van de botsingen over bijvoorbeeld het sinterklaasfeest. Wanneer mensen uit bijvoorbeeld de Surinaamse gemeenschap zich ongemakkelijk voelen bij Zwarte Piet, dan maken ze toch vooral duidelijk: ook wij willen ons thuis voelen bij dit feest. Die toe-eigening is een vorm van burgerschap.
De verandering kan niemand ontgaan. Kijk maar naar de canon van de Nederlandse geschiedenis. Het zou ondenkbaar geweest zijn als die niet ook het koloniale verleden zou hebben omvat. Er is een nationaal monument slavernijverleden gekomen. In het adjectief ‘nationaal’ wordt een gemeenschap aangesproken op zijn verantwoordelijkheid. Dat is vooruitgang.
In mijn essay vroeg ik om meer aandacht voor de overdracht van de geschiedenis: „Wie nadruk legt op collectieve herinnering zal ook beseffen dat een discussie over het Nederlandse aandeel in de slavernij geen onzin is. Ook de ‘zwarte’ bladzijden in ons verleden moeten worden besproken. Een dwingender zelfonderzoek naar zulke episoden is één van vele vragen die de komst van velen uit vroegere koloniën met zich meebrengt.”
Ik pleitte voor een museum voor de Nederlandse geschiedenis. Voorbeelden van zulke musea in Australië en Duitsland laten zien dat zo’n verbeelding van het verleden tot zelfonderzoek kan aanzetten. Daarom is het zo teleurstellend dat het museum er niet is gekomen. Ondanks een ruime Kamermeerderheid is dat plan gesmoord in politieke onwil en postmoderne verwarring.

Zo worden telkens kansen gemist. Ik vind dat we op het idee terug moeten komen: een nationaal museum voor de geschiedenis zou een plek kunnen zijn waarin een nieuw beeld van Nederland vorm krijgt – inclusief zijn lange migratiegeschiedenis. Het gaat om het besef dat er iets aan ons vooraf is gegaan en iets na ons komt, dat we een onderdeel zijn van een verhaal van verandering, een verhaal zonder einde.
De woorden van de Amerikaanse schrijver James Baldwin blijven een bron van inspiratie. In The Fire Next Time (1963) probeerde hij een brug te slaan: „Wanneer we blijven volharden in het zelfbeeld van een blanke natie, hoewel we dat nauwelijks zijn, veroordelen we onszelf tot steriliteit en verval. Wanneer we onszelf zouden zien zoals we werkelijk zijn, dan zouden we de westerse verworvenheden nieuw leven kunnen inblazen.”
Aandacht voor het koloniale verleden hoeft niet te ontaarden in een nieuwe beeldenstorm – al is dat een erg vaderlandse traditie. Er hoeven geen koloniale standbeelden omver te worden getrokken om een standbeeld van de Surinaamse schrijver Anton de Kom op te richten. De kring van het samenleven kan worden verruimd door alle lagen in onze geschiedenis te laten zien.
Ook pleitte ik voor meer aandacht voor taal. Dat we in een situatie verzeild zouden raken waarin een universiteit helemaal op Engels overschakelt, had ik nooit kunnen bevroeden. Zulke keuzes mogen we niet aan individuele instellingen overlaten: die geven kortetermijnbelangen voorrang boven maatschappelijke afwegingen.
En, hoe kan een land zijn nieuwkomers overtuigen dat het leren van de taal wezenlijk is wanneer de elites er zo achteloos mee omspringen? Wie studenten geen academische vorming geeft in de eigen taal, vervreemdt de toekomstige bovenlaag van de samenleving. We zien nu al de dat de kloof tussen laag opgeleid en hoogopgeleid steeds dieper wordt gegraven. Vooral met de taalvaardigheid is het treurig gesteld. Daar zien we een daling tot onder het gemiddelde van de rijkere landen, en dat treft kinderen uit migrantengezinnen in het bijzonder. Dit soort ongeletterdheid doet afbreuk aan burgerschap. Wie de taal niet beheerst, kan onvoldoende invloed uitoefenen op de eigen omgeving, laat staan de richting van het geheel mee bepalen.

Schrijver Kader Abdolah reageerde zo op het multiculturele drama: „Paul Scheffer, ga aan de kant. Dit land is nu ook van ons.” Ik dacht: dat is nu precies waarop ik hoop. Want daarmee is ook gezegd: wij zijn van dit land. Je kunt namelijk geen invloed uitoefenen op het geheel zonder de wil om deel uit te maken van het geheel. Niet dat ik aan de kant hoef te gaan, het land is ruim genoeg.
Ik ben twintig jaar geleden gaan schrijven over deze kwesties met als uitgangspunt dat ik onderdeel van het probleem ben. Ik wilde niet spreken over anderen die minder verdraagzaam werden, ik stelde vast dat mijn eigen tolerantie afbrokkelde. Het ging me niet om anderen die worstelen met het gevoel dat we iets kwijtraken, ik wilde mijn eigen ervaring van verlies onder woorden brengen. Toen was ik niet bezig met de schuldvraag, nu al helemaal niet meer.
Dat is het voordeel als je met een pen in de hand zonder last of ruggenspraak de wereld tegemoet kan treden. Weinig heeft me zo in mijn leven geraakt als de ontmoetingen die volgden op de publicatie van Het multiculturele drama. Het gaat niet zozeer om pessimisme of optimisme, het gaat om betrokkenheid of gelatenheid. Juist door iets terug te zeggen had ik het gevoel een verandering mee vorm te geven.
Ik heb me willen openstellen voor het verwijt dat ik met mijn ‘multiculturele drama’ onbedoeld heb bijgedragen aan een verruwing die het inlevingsvermogen geen goed heeft gedaan. Met boeken als Het land van aankomst en de documentaire Land of Promise, die ik met René Roelofs heb gemaakt, heb ik geprobeerd om de verhalen van nieuwkomers en van de mensen die er al waren zichtbaar te maken.
Niemand kan ontkennen dat we verder zijn dan toen: de verandering van Nederland is onmiskenbaar. Er is na al die jaren genoeg om tevreden op terug te kijken. Niet alleen is de zichtbaarheid van migranten en vooral hun kinderen in het openbare leven toegenomen, ook baant de aanvaarding van die verandering zich een weg in en door alle conflicten.

Nieuwe verscheidenheid
Toch werpen Godfried Engbersen en zijn collega’s in een recente studie voor de WRR een paar vragen op over de nieuwe verscheidenheid: „Hoe diverser een buurt is, hoe minder mensen zich daar thuis voelen.” Bij die afnemende samenhang spelen ook sociale achterstanden een rol, maar „de invloed van de diversiteit is een stuk groter”. Daar moeten we over willen nadenken.
Dit land is een immigratieland geworden, maar de keuzes die bij een immigratieland horen worden ontweken. Ik stelde al eerder vast dat momenteel meer mensen dan verwacht naar ons land komen. Een nieuwe doordenking van de langetermijngevolgen is nodig, met als inzet dat zoveel mogelijk mensen zich thuis kunnen voelen in dit veranderende land.
De schrijver Anil Ramdas zei het goed: „Nederland is een samenleving in wording. Als je vraagt of de integratie is geslaagd, is dat net zoiets als of de samenleving af is.” Nieuwe mensen trekken naar deze contreien. De cyclus van vermijding, conflict en aanvaarding blijft zichtbaar. Dat wil niet zeggen dat de geschiedenis in een kringetje draait: eerdere migranten worden onderdeel van de verbeelde gemeenschap.
Ooit zei iemand uit de Surinaamse gemeenschap tegen me tijdens een debat in de Bijlmer: „Niemand heeft het meer over ons.” Ik dacht: tel je zegeningen. Zo gaat het meestal. De buitenstaanders van gisteren zijn de gevestigden van morgen. Die verandering gaat gepaard met conflicten, maar zolang die vreedzaam zijn, is het een teken van voortgaande integratie.
Zinnetjes als „immigratie is een feit” of „wen er maar aan” gaan ons niet verder helpen. Ze doen een beroep op gelatenheid, maar zo’n ingrijpende verandering kan alleen worden gezien als een vooruitgang wanneer we het idee van een open samenleving dichter benaderen. De komst van zovelen van over de hele wereld nodigt aan alle kanten uit tot zelfonderzoek.
De waarde van culturen mogen we afmeten aan de mate waarin ze de vrijheid en de kennis verruimen. Gelijke behandeling en gelijkwaardigheid, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst zijn waarden die we kunnen delen. Niemand hoeft te integreren in de samenleving zoals die nu is, maar in de samenleving zoals die zou kunnen zijn. Inderdaad, een gedeelde toekomst weegt zwaarder dan een verdeelde herkomst.

Bron: NRC.nl (24 januari 2020).