‘Huisvesting van arbeidsmigranten is niet sexy’

Onlangs adviseerde een commissie het kabinet om voor alle arbeidsmigranten een eigen kamer te regelen. Maar in Nederland is al een tekort van 120.000 bedden voor arbeidsmigranten. Hoe komt dat en wat is de oplossing?

Dit artikel verscheen eerder via NRC.
Bekijk hier het originele artikel, of lees hieronder verder.

Na zijn burn-out, anderhalf jaar geleden, was het stil in het huis van Marcel Warmoeskerken (49) in Oisterwijk. Zijn zoon woont bij zijn ex, de telefoontjes van werk stopten en sinds zijn „dikke vette burn-out” zat hij veelal alleen thuis. „Maar ik ben niet graag alleen”, zegt hij. Dat is voorbij sinds hij hoorde van een nieuw initiatief: FlexHomies – een Airbnb voor arbeidsmigranten.

Sinds februari wonen de Roemeense arbeidsmigranten Robert Sarghe (24) en zijn vriend Costel Ramascanu in het huis van Warmoeskerken. In twee ruime kamers, met een eigen tweepersoonsbed en televisie. „We hebben eindelijk privacy”, zegt Sarghe die daarvoor in een huis met tien andere arbeidsmigranten woonde. „En we kunnen de Nederlandse manier van leven en de taal leren”, zegt de Roemeen die in Nederland een toekomst wil opbouwen. Warmoeskerken is dolgelukkig. „Ik houd er een leuk zakcentje aan over, maar ben vooral blij met het geroezemoes dat ik in huis hoor.”

Verborgen leegstand
FlexHomies is een initiatief van uitzendbureau HOBIJ om wat te doen aan het beddentekort voor arbeidsmigranten en de kwaliteit van huisvesting. „De arbeidsmigranten missen in Nederland vaak een thuis”, zegt Paul van Dieperbeek, projectleider van FlexHomies bij uitzendbureau HOBIJ. „En in Nederland is veel verborgen leegstand: vrije kamers in huizen van eenzame of alleenstaande mensen.” FlexHomies moet die twee bij elkaar brengen.
Vlak voor de coronacrisis werd FlexHomies gelanceerd en sindsdien hebben 14 arbeidsmigranten er onderdak gevonden. „Dit jaar moeten het er vijftig worden, tot enkele honderden in de toekomst”, zegt Van Dieperbeek. Daarmee lost het initiatief het huisvestingsprobleem niet op: „Dagelijks huisvest HOBIJ ruim 2.000 arbeidsmigranten van de in totaal 3.000 uitzendkrachten.”
Uitzendbureaus, zoals HOBIJ, zoeken naar creatieve oplossingen voor het grote beddentekort onder arbeidsmigranten. Het Expertisecentrum Flexwonen, dat zich bezig houdt met de huisvesting van arbeidsmigranten, spreekt van een tekort van zo’n 120.000 fatsoenlijke bedden in Nederland. En als er niks gebeurt, wordt dat tekort alleen maar groter. Maar waarom is het beddentekort zo hoog en wie is daarvoor verantwoordelijk?

Sinds 2012 is Wim Reedijk, directielid van het Expertisecentrum Flexwonen, al bezig met de huisvesting van arbeidsmigranten. „Er was toen veel aandacht voor misstanden in de agrarische sector onder seizoensarbeiders, zoals de aspergeteelster in Someren”, zegt Reedijk. De aspergeteler werd uiteindelijk veroordeeld tot een vierjarige celstraf nadat ze 74 werknemers had uitgebuit en onderbetaald, die in vieze kamers zonder ramen leefden. „We zagen toen huisvestingssituaties waar je niet dood gevonden wilde worden.”
Dergelijke misstanden leidden in 2011 tot een parlementair onderzoek, waarna een jaar later overheden, vakbonden en branche- en huisvestingsorganisaties de Nationale verklaring (tijdelijke) huisvesting EU-arbeidsmigranten ondertekenden, om de huisvesting van arbeidsmigranten te verbeteren. „Het ging niet goed met de huisvesting en de schouders moesten eronder worden gezet”, zegt Reedijk. Daaruit ontstond het Expertisecentrum Flexwonen. „Wij werden de schouders, maar vervolgens liep de aandacht weg door de economische crisis en ontstonden weer nieuwe misstanden.”

De geschiedenis lijkt zich nu te herhalen. Sinds de coronacrisis zijn de woon- en leefomstandigheden van arbeidsmigranten in Nederland weer volop in het nieuws nadat honderden arbeidsmigranten besmet raakten met het coronavirus – voornamelijk in de vleesverwerkende industrie.
„Na de economische crisis trok de economie aan en waren de arbeidsmigranten keihard nodig”, zegt Reedijk. „Maar er was veel te weinig aandacht voor de huisvestingsvraag.” Werkgevers plaatsten hun arbeidsmigranten vervolgens op vakantieparken en woningen in woonwijken werden opgekocht. „Veel arbeidsmigranten zitten op plekken waar ze niet horen en dat leidt tot negatieve beeldvorming bij Nederlanders.”

Huisvesting geen verdienmodel
Ook wordt er veel naar de uitzendbureaus gewezen, de huisvesting van arbeidsmigranten zou een verdienmodel zijn. Dat weerspreekt Frank van Gool, directeur van het grootste uitzendbureau van Nederland, OTTO Workforce, dat dagelijks 12.000 arbeidsmigranten aan het werk zet: „Huisvesting is voor ons verlieslatend, wij hebben vorig jaar 2,2 miljoen euro verloren op de huisvesting. Alleen als je flutkwaliteit levert, kun je eraan verdienen.”

Ook Han van Horen, directeur van HOBIJ, weerspreekt dat huisvesting een verdienmodel is. „Wij huren van vastgoedeigenaren of huisvestingsbedrijven die alle risico’s op ons afwentelen”, zegt Van Horen. „Gemiddeld genomen hebben we een leegstand van vijftien procent, waarvoor we wel betalen. Ook alle huisvestingskosten, zoals personeel, klusjes en schoonmaak zijn veelal voor onze rekening.”

Volgens Reedijk van het expertisecentrum trekken vooral vastgoedpartijen aan het langste eind. Maar het probleem met de slechte huisvesting van arbeidsmigranten ligt ook aan de wildgroei van uitzendbureaus, zegt Reedijk. „We hebben in Nederland ruim 14.000 uitzendbureaus, waarvan duizend onder brancheorganisaties vallen. De rest is niet allemaal slecht, maar er zijn veel uitzendbureaus die van huisvesting een handeltje proberen te maken en waar wordt gerotzooid.”

Daarom moet er snel heel veel meer gebouwd worden, zegt Van Gool. „Als er meer aanbod is, zakt de prijs vanzelf en wordt de slechte kwaliteit huisvesting gesaneerd.” Reedijk ziet vanuit werkgevers en vastgoedinvesteerders genoeg wil en kapitaal om te bouwen voor arbeidsmigranten. „Er hoeft geen geld bij, er zijn alleen nieuwe locaties nodig.”

Voor extra bedden gaf een commissie onder leiding van oud SP-leider Emile Roemer onlangs nog een extra aanzet. Alle arbeidsmigranten zouden een eigen slaapkamer moeten krijgen. En als het niet anders kan dan met maximaal twee personen op één kamer, is het advies van Roemer aan het kabinet. Vooral voor arbeidsmigranten die korte tijd in Nederland verblijven, de zogenaamde short-stayers, moeten extra plekken komen.
„Roemer zegt wat wij al heel lang zeggen: er moet meer fatsoenlijke huisvesting komen”, zegt Reedijk. „Alleen krijgen we dat niet in een paar maanden voor elkaar.” Dat beaamt Van Gool: „Als iedereen nu een eigen kamer krijgt, dan krijg je slechtere en duurdere huisvesting met vaak langere afstand naar de werklocatie.”

‘Gemeenten moeten beter nadenken’
Daarom is hulp nodig, voornamelijk vanuit gemeenten en provincies. „Veel gemeenten zijn kopschuw geworden”, zegt Reedijk. „Het is van de gekke dat ze industrieterreinen en tuinbouwclusters aanleggen, zonder na te denken wie daar werken en wonen.”

Ook Van Gool, tevens aandeelhouder van huisvestingsontwikkelaar KAFRA, merkt dat het moeilijk is om in gesprek te komen met gemeenten: „Alleen een afspraak regelen duurt al maanden, laat staan de gemeente overtuigen. Voor gemeenten is huisvesting van arbeidsmigranten geen sexy onderwerp. Maar distributiecentra binnenhalen waar deze mensen werken wel.”
Zo ging er vorig jaar een streep door een plan in het Brabantse Rucphen voor een „luxe migrantenhuisvesting” met restaurant, supermarkt en buitensportvoorziening. Nadat de PVV raadsvragen stelde en er een Facebookpagina werd opgericht tegen de komst van de huisvestingsplek voor arbeidsmigranten, ging het geheel op die locatie niet door.

Waalwijk: hotel in modules snel klaar
Dat de huisvesting van arbeidsmigranten in sommige gemeenten wel goed gaat, bewijst Waalwijk. Op een industrieterrein, niet ver van het centrum, is sinds 2018 het Labour Hotel geopend waar 400 arbeidsmigranten wonen. In appartementen wonen twee tot maximaal vier mensen, die een eigen slaapkamer hebben en een keuken en douche delen. Op de begane vloer is een fitnesszaal en buiten staan barbecues. Waarom het hier wel kan? „De wethouder in Waalwijk stak zijn nek uit”, zegt Harry van Zandwijk, directeur van bouwbedrijf Jan Snel, eigenaar en bouwer van het complex.
En dat bouwen ging vrij snel. „Wij kunnen in vier maanden een hotel neerzetten voor 400 mensen”, zegt Van Zandwijk. Het bedrijf Jan Snel bouwt namelijk modulair – grote delen van het gebouw zijn van tevoren al geproduceerd in de fabriek. Van Zandwijk: „Dat is sneller, goedkoper en duurzamer dan traditionele bouw. En we kunnen het complex ook zo weer verplaatsen zonder iets te slopen.”

Alleen dan moet de gemeente wel een vergunning verlenen. En dat is nu vaak het knelpunt. Roemer adviseert gemeenten en provincies om met een lokale visie te komen over de huisvesting van arbeidsmigranten. Volgens Van Gool is het simpel: „We lopen al 120.000 bedden achter, wijs nou duizend locaties aan van 200 bedden en dan ben je klaar.”
Gebeurt er niks, dan krijg je situaties zoals in wijken van Den Haag, waarschuwt Van Gool. „Daar wonen duizenden arbeidsmigranten in normale huizen, midden in woonwijken die bestemd zijn voor anderen. Daar staat de lokale bevolking op de tweede plaats.”
In Oisterwijk, bij Marcel Warmoeskerken, bevalt het samenwonen inmiddels zo goed, dat Warmoeskerken heeft besloten een derde arbeidsmigrant in zijn huis te nemen via FlexHomies. Dit weekend gaat hij samen met Sarghe naar Amsterdam. Hij is er blij mee. „Ik wil de jongens niet meer kwijt.”

Kabinet snel aan de slag met aanbevelingen Roemer

De risico’s op besmetting van arbeidsmigranten met het coronavirus vormen een acuut probleem. Het kabinet pakt de implementatie van de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten die gericht zijn op de korte termijn daarom met urgentie op. Het aanjaagteam, onder leiding van Emile Roemer, komt op een later moment met aanvullende aanbevelingen voor de langere termijn die zijn gericht op de structurele problematiek. Dat schrijft coördinerend minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een brief aan de Tweede Kamer.

Dit artikel verscheen eerder via Rijksoverheid.nl.
Bekijk hier het originele artikel, of lees hieronder verder.

Nieuwe huisvestingslocaties
De coronacrisis heeft de bestaande problemen rond arbeidsmigranten, zoals tekorten aan goede huisvesting en de afhankelijkheid van de werkgever, opnieuw onderstreept en zichtbaarder gemaakt. Het kabinet gaat daarom de realisatie van nieuwe huisvestingslocaties voor arbeidsmigranten stimuleren. Er komt een overzicht van regio’s waar de woonproblematiek het grootst is, en gemeenten worden actief benaderd om bestaande mogelijkheden zo goed mogelijk te benutten, zoals de beschikbaar gekomen gelden uit de woningbouwimpuls, de korting op de verhuurdersheffing voor initiatieven met flexwonen en de versnellingskamers flexwonen.

Verbeteren registratie
Om effectief beleid te kunnen maken is kennis over het verblijf van arbeidsmigranten onmisbaar. Arbeidsmigranten zijn net als iedereen verplicht om zich bij een verblijf van meer dan vier maanden in Nederland in te laten schrijven als ingezetene. In de praktijk blijkt echter dat arbeidsmigranten te vaak niet aan deze verplichting voldoen. Om dit probleem te ondervangen werken de ministeries van BZK en SZW en de Inspectie SZW intensief samen aan een plan van aanpak om de registratie van arbeidsmigranten te verbeteren. Vanwege de urgentie worden op korte termijn al de eerste stappen gezet.

Tijdelijke huurcontracten
Arbeidsmigranten die hun werk verliezen, komen vaak in de knel omdat zij voor woonruimte afhankelijk zijn van hun werkgever en geen huurbescherming hebben. Dit vormt niet alleen een huisvestingprobleem, maar ook een potentieel gezondheidsrisico, voor de arbeidsmigrant zelf en zijn omgeving. Volledige huurbescherming hoort bij een contract voor onbepaalde tijd. Deze contractvorm is bij arbeidsmigranten vaak niet aan de orde vanwege de beperkte duur van het werk. Het kabinet wil daarom in gesprek met belanghebbende partijen, waaronder werkgevers en huisvesters, over de mogelijkheid van het gebruik van tijdelijke huurcontracten die niet tussentijds kunnen worden opgezegd.

Informatieknooppunt
Het is voor arbeidsmigranten niet altijd duidelijk waar men terecht kan met vragen of meldingen van misstanden. Relevante informatie voor arbeidsmigranten moet gemakkelijk toegankelijk en in hun eigen taal beschikbaar zijn. Het kabinet neemt de aanbeveling over om een centraal informatieknooppunt te ontwikkelen. Samen met de gemeente Westland wordt een pilot opgezet waarbij wordt onderzocht op welke manier arbeidsmigranten het beste kunnen worden voorgelicht over arbeidsvoorwaarden, geïnformeerd kunnen worden over veilig en gezond werken in de sector waarin zij werkzaam zijn, en kunnen worden geactiveerd om hun rechten te effectueren.

Samenwerkingsplatform toezichthouders
De problematiek omtrent arbeidsmigranten raakt zowel verschillende onderdelen van de Rijksoverheid als van lagere overheden. Daarom is gecoördineerde actie nodig. Om dit in goede banen te leiden, wordt gewerkt aan een verbeterde samenwerking tussen partijen zoals de Inspectie SZW, de NVWA, de GGD en de veiligheidsregio’s. Hiervoor wordt onder andere op korte termijn een landelijk samenwerkingsplatform voor toezichthouders ingericht. Het samenwerkingsplatform zal daarbij coördinatie op het regionale niveau voorbereiden om snel te kunnen optreden bij een uitbraak in een bedrijf of een sector, zoals recent bij slachterijen. Om potentiële brandhaarden in risicosectoren te voorkomen zal het platform preventieve acties coördineren.

Minister Koolmees: “Ik wil het aanjaagteam bedanken voor de snelheid waarmee het zijn taken heeft opgepakt. Besmettingen in de vleesindustrie en de fruithandel maken pijnlijk duidelijk dat er maatregelen moeten worden getroffen om arbeidsmigranten te beschermen. Deze incidenten laten zien dat de problemen urgent zijn en dat de bescherming van arbeidsmigranten tegen het coronavirus niet kan wachten.”

Download hier de volledige kabinetsreactie inzake de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten.

 

Advies: arbeidsmigranten niet meer op één kamer

Uitzendbureaus moeten zorgen dat arbeidsmigranten in hun eentje op een slaapkamer kunnen liggen. Ook meerdere mensen vervoeren in een busje moet afgelopen zijn en werkgevers moeten beter registreren waar hun medewerkers wonen.

Dit artikel verscheen eerder via De Telegraaf.
Bekijk hier het originele artikel, of lees hieronder verder.

Dat staat in de eerste aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten. Dat adviseert onder leiding van oud-SP-leider Emile Roemer het kabinet over maatregelen die arbeidsmigranten moeten beschermen tegen het coronavirus.

Emile Roemer: „We hebben allemaal de problemen op het nieuws gezien de afgelopen weken. Het is zaak dat we nu heel snel handelen. Arbeidsmigranten moeten anderhalve meter afstand kunnen houden van anderen, net als iedereen in Nederland. Daarvoor moeten we strengere afspraken gaan maken, die ook gehandhaafd worden. Gelukkig heb ik gezien dat het op veel plaatsen al wel goed geregeld is. Het kan dus wel.”

De uitzendbranche wees eerder al op de moeilijkheden van dergelijke maatregelen. Zo lopen de kosten flink op als er voor meer woonruimte en alternatief vervoer gezorgd moet worden. Ook is er nu al een gebrek aan woonruimte.

‘Gebrek aan woonruimte’
„Het Aanjaagteam erkent dat er op dit moment gebrek aan woonruimte is, wat het lastig maakt om deze nieuwe norm op korte termijn landelijk te realiseren. Daarom adviseren wij het kabinet om te beginnen bij bedrijven met een hoog coronarisico. Zij moeten er direct voor zorgen dat hun arbeidsmigranten een eigen slaapkamer hebben. Ook los van corona is het onwenselijk dat mensen hun slaapkamer moeten delen met vreemden.”
Verder ontbreekt er volgens het advies vaak aan een goede administratie bij werkgevers, waardoor onduidelijk is waar arbeidsmigranten wonen. Uitzendbureaus en bedrijven moeten verplicht worden te allen tijde het woonadres en telefoonnummer of e-mailadres van hun medewerkers te kunnen geven. Ook zou vervoer met meerdere mensen in een busje afgelopen moeten zijn.

Het Aanjaagteam komt binnenkort met een tweede advies. „Nederland kent al jarenlang teveel misstanden rondom arbeidsmigranten. In Nederland wonen en werken ruim 400.000 arbeidsmigranten uit andere EU-landen. Zij hebben meestal tijdelijke contracten, verdienen vaak het minimumloon, wonen dicht op elkaar en reizen vaak gezamenlijk naar hun werk. Dat is een gevaar voor de gezondheid van de arbeidsmigrant, maar geeft ook risico’s voor de volksgezondheid.”

Europees Parlement wil betere omstandigheden voor arbeidsmigranten

“Gelukkig is het kwartje gevallen”, zegt Agnes Jongerius van de PvdA in Brussel over de meerderheid voor het verbeteren van arbeidsmigranten in Nederland. “Ook in Polen en Roemenië denken partijen nu: “Blijf met je poten van onze mensen af.”

Dit artikel verscheen eerder via EenVandaag.
Bekijk hier het originele artikel, of lees hieronder verder.

De afgelopen weken was het op meerdere plekken, met name in de vleesindustrie, raak. Er waren tientallen coronabesmettingen bij bedrijven met arbeidsmigranten. “En dat heeft alles te maken met het te dicht op elkaar wonen en te dicht op elkaar in een busjes zitten. We weten het al heel lang, ook de uitzendbureaus weten dat. Om de situatie van arbeidsmigranten te verbeteren is er dus nu een meerderheid voor een resolutie hierover in het Europees Parlement.

Hoop dat het helpt, maar denk het niet
“Ik hoop dat het werkt, maar ik denk het niet”, reageert directeur van Polska Porada, Hans Thunissen. Hij staat arbeidsmigranten bij in Nederland met informatie en advies. “Rotzooi onder de bedden, alles is kapot en die mensen worden erin gegooid. Ze betalen er flink voor. Het wordt ingehouden op het salaris en vaak weten de mensen niet eens dat ze teveel betalen”, vertelt hij.

Er moet volgens hem een veilige situatie zijn voor arbeidsmigranten. En dat is volgens Thunissen bij sommige uitzendbureau’s ook wel het geval, maar lang niet bij allemaal. Maar dat wil het Europees Parlement dus aanpakken. “Maar het moet ook gehandhaafd worden en dat gebeurt nu heel weinig. Er wordt gezegd: ‘Daar zijn geen mensen voor, er is geen geld voor’. Maar er moet zonder aankondiging gecontroleerd worden.”

Wetgeving uitzendbureau’s
Jongerius reageert op Thunissen: “Met deze resolutie geven we ook het signaal naar de eurocommissaris dat er verbetering moet komen, dat ze daarover landen gaat aanschrijven, dat ze in actie moeten komen. Het is mishandeling van de mensen. Dit kan gewoon niet op deze manier.”

De PvdA’er merkt wel dat de uitzendbureaus nu tegenstribbelen. “Ze gaan nu wel meteen piepen dat ze niet meer kunnen doen qua huisvesting zodat bewoners afstand kunnen bewaren van elkaar. Dat gaat ze teveel geld kosten, zeggen ze. De Europese wetgeving moet daarover worden aangepast. En ja, dat gaat tijd kosten, maar ik ben tot op het bot gemotiveerd om er voor te gaan.”

Zorgen om coronabesmettingen arbeidsmigranten, ‘breder onderzoek echt nodig’

Dit artikel verscheen eerder via NOS.nl
Bekijk hier het originele artikel, of lees hieronder verder.

20 procent van de personeelsleden van slachterij Vion in Groenlo is besmet met het coronavirus. Hoe het komt dat het besmettingspercentage zo hoog is, staat nog niet vast. Mogelijk speelt krappe huisvesting een rol.
Medewerkers van slachthuizen zijn vaak arbeidsmigranten uit Bulgarije, Roemenië en Polen. Via een uitzendbureau worden ze ingezet. “Ik ben geen viroloog, maar veel werknemers slapen samen, hoesten bijna over elkaar heen, gaan samen in een bus naar het werk en delen soms met wel 40 man een keuken. Dan is het lastig om anderhalve meter afstand te bewaren”, reageert Bart Plaatje van FNV.
Minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid zegt dat de slachthuizen die voor morgenavond onvoldoende aantonen dat zij al het mogelijke doen om coronabesmettingen te voorkomen, moeten sluiten. De inspecties zullen zich niet alleen richten op de situaties in de slachthuizen, maar ook hoe personeel wordt vervoerd en hoe ze wonen.

Risico’s in andere sectoren
Niet alleen in de vleessector, ook in de land- en tuinbouw, bouw en in distributiecentra werken arbeidsmigranten. Dick Veerman, hoofdredacteur van Foodlog, zegt in Met het Oog op Morgen dat het na coronabesmettingen in vleesverwerkende bedrijven, wachten is op besmettingen in andere sectoren. “Veiligheidsregio’s en GGD’s moeten dit nu onderzoeken en zich niet alleen richten op de slachthuizen”, vindt Veerman.
Van de naar schatting 400.000 arbeidsmigranten in Nederland, werken er 12.000 in de vleesindustrie. Veerman noemt het hoge besmettingsniveau van 20 procent in slachthuizen “alarmerend” en wil daarom breder testen. “Ik vind het onbestaanbaar dat dit niet breder onderzocht wordt in andere sectoren waar veel arbeidsmigranten werken.”

Vakbond FNV vraagt al langer aandacht voor leefomstandigheden van arbeidsmigranten. Vicevoorzitter Tuur Elzinga noemt het probleem ‘zeer actueel’ vanwege coronabesmettingen in slachthuizen: “De middeleeuwse situatie waarbij je baas ook je huisbaas is, moet afgelopen zijn.”
Het toezicht op de handhaving van coronamaatregelen is versnipperd. Elzinga: “De veiligheidsregio’s gaan over huisvesting, politie over vervoer, de arbeidsinspectie en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit over veiligheid.” In een brief pleit FNV voor een structurele aanpak.

Bart Plaatje: “Er wordt niet getest op corona in sectoren waar veel arbeidsmigranten werken, dus zeker weten doen we het niet. Het kan ook liggen aan de vleesverwerkende industrie. Mogelijk grijpt het virus daar sneller om zich heen om wat voor een reden dan ook. Maar ik geloof in deze situatie eerder in en/en, dan in en/of.”
Afgelopen weekend sprak Plaatje twee Bulgaren die bij Vion werkten, om persoonlijke redenen werden ontslagen en uit huis werden gezet. Ze hadden koorts, zijn naar de dokter gegaan en wachten de uitslag van de coronatest nu elders af. Plaatje wil vanwege dit soort voorbeelden dat arbeidsmigranten niet langer mogen wonen in huizen van hun uitzendbureau. “Scheiden van bed en brood moet nu echt eens geregeld worden.”
De ChristenUnie en de SP hebben in december een plan ingediend om de woon- en werkomstandigheden van arbeidsmigranten te verbeteren. Maandagmiddag debatteert de vaste Kamercommissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport hierover.

 

7 tips voor de huisvesting van short stay arbeidsmigranten

Arbeidsmigranten zijn hard nodig voor de lokale en regionale economie. Toch wordt deze groep vooral geassocieerd met overlast en uitbuiting. Ook zijn er volop vragen over goede huisvesting voor arbeidsmigranten. Want deze groep duikt bijvoorbeeld vaak op in vakantieparken. Het netwerk van Middelgrote Gemeenten (M50) en Platform31 organiseerden de Expertsessie arbeidsmigranten. Hier kwamen zo’n zeventig bestuurders en beleidsmedewerkers van overheden en marktpartijen samen tot 7 tips voor de huisvesting van arbeidsmigranten.

 Bekijk hier het originele artikel via Platform31, of lees hieronder verder.

Tip 1: Neem je verantwoordelijkheid
Wees je als bestuurder van een gemeente of provincie ervan bewust dat je een verantwoordelijkheid hebt voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Denk aan het grote economisch belang binnen je gemeente of regio. Sommige regio’s zouden economisch instorten zonder de doelgroep, anderen zien arbeidsmigranten als oplossing om krimp tegen te gaan. Neem ook de verantwoordelijkheid voor de precaire positie waarin arbeidsmigranten vaak verkeren wanneer ze in illegale huisvesting wonen. Afwachten is geen optie, want het aantal arbeidsmigranten gaat naar verwachting alleen maar toenemen. “Het is onze verantwoordelijkheid om bepaalde situaties niet te accepteren”, benadrukt dagvoorzitter Hamit Karakus (Platform31) tijdens de expertsessie.

Voorbeeld: Tijdelijke huisvesting in Putten
In Putten regelt de gemeente de huisvesting in een van de vakantiepark. De gemeente weet dankzij een nachtregister precies wie hier verblijven – ook met het oog op de (brand)veiligheid. Om het voor omwonenden acceptabel te maken, is de afspraak gemaakt dat deze woonsituatie tijdelijk is. Over een paar jaar wordt het park getransformeerd naar groen en parkeren.

Tip 2: Vraag om een eerlijke verdeling
Spreek de rijksoverheid aan op haar verantwoordelijkheid en vraag om een eerlijke verdeling van lusten en lasten. Gemeenten die zich bereidwillig inzetten voor de huisvesting, doen dit vaak alleen voor ‘hun’ eigen arbeidsmigranten. Zij willen niet met kostbare middelen het woonvraagstuk van andere steden of bijvoorbeeld de Rotterdamse haven oplossen. Short stay arbeidsmigranten verplaatsen echter veel, waardoor je niet altijd duidelijke grenzen kunt trekken. Na een vakantieparkcontrole verplaatst de ondernemer bijvoorbeeld zijn arbeidsmigranten naar een ander vakantiepark en daarmee verplaatst het probleem zich – het zogenoemde waterbedeffect. Dan kan het Rijk een rol spelen.

Tip 3: Kweek allianties
Werk als één overheid samen en vorm samenwerkingsverbanden in de regio. Met een sterkere informatiepositie en samenwerking op regionaal niveau komen gemeenten en uitvoerende diensten malafide ondernemers sneller op het spoor en kunnen ze huisvesting uit de illegaliteit halen. Zo voorkom je als overheid makkelijker dat je onbedoeld uitbuitingssituaties faciliteert.

Voorbeeld: Ariadneproject in Gelderland
In het Ariadneproject werken alle 51 Gelderse gemeenten, provincie Gelderland, het Openbaar Ministerie, politie, het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC), de Belastingdienst, Koninklijke Marechaussee en Inspectie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (iSZW) samen. Het project brengt geldstromen in kaart en kan zo situaties van (arbeids)uitbuiting boven tafel krijgen. Dat maakt duidelijk verschil: de samenwerkingspartijen zien dat een aantal uitzendbureaus haar huisvestingsbeleid aanpast.

Tip 4: Vraag ondernemers om een woest aantrekkelijk plan
Verleid lokale ondernemers om een huisvestingsplan te maken waar je als gemeente geen ‘nee’ tegen kunt zeggen. Stel randvoorwaarden op en denk mee over locaties. Laat je voorlichten en doe als bestuurder eerst regionaal onderzoek onder grote bedrijven: hoeveel arbeidsmigranten hebben zij in dienst? Hoe groot is het aandeel arbeidsmigranten binnen de eigen beroepsbevolking? “Alleen op de plekken waar gemeenten en ondernemers elkaar weten te vinden ontstaat transparantie en zien we goede praktijken rondom huisvesting”, brengt Wim Reedijk van Expertisecentrum Flexwonen in tijdens de bijeenkomst.

Voorbeeld: Labour Hotel Waalwijk
In het Labour Hotel Waalwijk werkt de gemeente nauw samen met lokale ondernemers en verschillende uitzendbureaus aan kwalitatieve huisvesting voor arbeidsmigranten. Het hotel is voor het SNF-keurmerk geïnspecteerd en de Stichting Normering Flexwonen (SNF) wil vanaf 2021 ieder pand ieder jaar controleren. Ondertussen komt er in Waalwijk een derde grootschalige campus voor arbeidsmigranten bij Ingram Micro. De huurkosten voor de arbeidsmigrant blijven hierbij binnen de perken. Het logistieke bedrijf compenseert namelijk voor de prijsopdrijving die ontstaat door schaarste in de woningmarkt.

Tip 5: Beïnvloed de beeldvorming
De huisvesting van arbeidsmigranten ligt vaak politiek gevoelig. De gemiddelde Nederlander denkt bijvoorbeeld aan de concurrentie op de woningmarkt , overlast door overbewoning, verkeer in de straat om 5 uur ’s ochtends en een gebrek aan parkeerplaatsen. Toon als bestuurder lef en praat met je bewoners hierover. Deel ook positieve voorbeelden over arbeidsmigranten.

Tip 6: Sluit aan bij de beleving van arbeidsmigranten zelf
In de beleidsvorming en aanpak wordt veel gesproken óver (short stay) arbeidsmigranten, maar weinig mét hen. Wat vinden zij belangrijk tijdens hun verblijf? Tegen welke obstakels lopen zij op? Hoe lang willen ze blijven? Vraag je ook af of je wel representatieve mensen spreekt. Praat hierover met ondernemers, bezoek een vakantiepark of word als gemeente actief op sociale media of fora voor arbeidsmigranten.

Tip 7: Verruim je blikveld
Kies voor een integrale aanpak. Rust op het gebied van huisvesting betekent vaak dat er sprake is van minder overlast en uitbuitingssituaties. Short stay arbeidsmigranten brengen echter een breder palet van neveneffecten met zich mee. Met name wanneer mensen toch langer willen blijven. Denk aan onzichtbaarheid doordat ze niet staan ingeschreven, (valse) concurrentie op de markt, verdere druk op de woningmarkt, dak- en thuisloosheid en vraagstukken over zorg, welzijn en integratie. Bij de overgang van kort naar middellang of permanent verblijf is een snelle aanpak dus niet de oplossing. Zorg liever voor continuïteit en borging in reguliere werkprocessen van de gemeente.

 

Hoe moeilijk het is als arbeids­migrant vooruit te komen, daar weet de Poolse Barbara Gesam alles van

Oost-Europeanen werken en wonen hier vaak in beroerde omstandigheden, blijkt uit nieuw onderzoek. Barbara Gesam, haar man en hun pasgeboren dochter dreigen hun huis uit te worden gezet. Ze vertellen hoe moeilijk het leven is als arbeidsmigrant in Nederland.

Dit artikel verscheen in Trouw. Klik hier voor het originele artikel op de website van Trouw, of lees hieronder verder.

Met haar pasgeboren baby in een draagzak stapt Barbara Gesam de beschimmelde woonkamer in Rotterdam-Zuid binnen. Haar Tsjechische partner Michal Dicko zit op de bank, moe van een lange dag. Huisgenote Wioleta Osinska, ook uit Polen, zit naast hem. De drie zijn in opperste staat van paniek. Ze vrezen op straat terecht te komen.
Oost-Europese arbeidsmigranten verkeren in een structureel achtergestelde positie op de Nederlandse arbeidsmarkt, stelt promovenda Anita Strockmeijer vandaag in haar proefschrift. Ze spreken de taal niet, werken in sectoren met lage lonen en veel baanverlies. De mogelijkheden tot opwaartse mobiliteit zijn gering.
Hoe moeilijk het is als arbeids­migrant vooruit te komen weten ­Gesam, haar partner en huisgenote maar al te goed. Eerst werkten ze bij een uitzendbureau dat hen in Zuid-Beijerland (Zuid-Holland) huisvestte. Om zich in een betere uitgangspositie te manoeuvreren wisselden de drie van uitzendbureau. Met hulp van een Poolse makelaar en tussenpersoon die lang in Nederland woont, huurden ze een appartement met twee slaapkamers voor 1400 ­euro per maand, plus een ruime ­vergoeding voor de makelaar.

Schimmel in huis
Niet dat het zo’n stap vooruit is. Via het uitzendbureau werkt Dicko met bloemen, in een fabriek die wasabi produceert of als schoonmaker van machines. Osinska houdt zich bezig met gekoelde groenten en fruit. Maar ze hebben een eigen plek en zijn niet langer afhankelijk van de grillen van een baas.
Of dat dachten ze. Want al snel na hun verhuizen groeide schimmel uit de hoeken van het huis. Ze huren inclusief meubels, maar betalen desondanks voor een nieuwe wasmachine. Een opening in de muur dichtten ze zelf. De intercom en elektriciteitsdraden hangen vast met tape. Vier maanden na hun verhuizing is de inschrijving bij de gemeente nog altijd niet rond. Volgens de arbeidsmigranten komt dat doordat de beloofde hulp van de Poolse tussenpersoon niet voldeed, de makelaar zegt dat de bewoners niet op kwamen ­dagen bij een afspraak.
Als klap op de vuurpijl wil de huisbaas hen vanwege hun houding uit huis zetten, met een week opzegtermijn, al mag dat juridisch niet. “Hij zei: ‘Ik maak jullie dood’”, zegt Dicko, terwijl hij een gebaar langs zijn keel maakt. Hij kreeg op straat een trap. Rond dezelfde tijd bonsden drie potige mannen zo hard op de voordeur dat het venster sneuvelde.

Onveilig gevoel
Op hulp hoeven ze nauwelijks te rekenen. Met haar baby van een maand in een draagzak sjouwt kersverse moeder Gesam al dagen van gemeentebalie naar Leger des Heils en daklozenopvang. Geen instantie biedt een niet-ingeschreven Pool of Tsjech een bed, bewijs van werk of niet. “We hebben drie weken opvang nodig, zodat we tijd hebben om iets nieuws te zoeken. Ik wil niet op straat leven met een baby”, zegt ze.
Uit voorzorg hebben de drie hun spullen ingepakt en een deel van de boedel naar Polen gestuurd. Ze zochten al naar tickets voor een terugkeer naar Polen, toen de politie alsnog met de huisbaas in gesprek ging. De Poolse makelaar stelt dat de gemeente tegen de huisbaas heeft gezegd dat subiete uitzetting niet mag, maar wil verder niets zeggen. De huisbaas was gisteravond niet ­bereikbaar voor commentaar.
Vooralsnog verblijven Gesam en haar huisgenoten in hun beschimmelde appartement, al is de deadline verstreken. Veilig voelen ze zich ­bepaald niet. Gesam: “Ik wil niet in dit huis blijven. Ze kunnen ons ­vermoorden. Ze kunnen onze spullen op straat zetten, ze hebben de sleutels.”

Bron: Trouw (12 februari 2020).

 

West-Brabanders werken huisvesting arbeidsmigranten tegen, ook bestuurders laten ze zitten

West-Brabantse gemeenten hebben te weinig aandacht voor arbeidsmigranten, concluderen onderzoekers. Lokale bestuurders tonen vaak weinig inzet voor huisvesting. Of de eigen bevolking werkt ze daarin tegen.

Die conclusies zijn te lezen in het onderzoeksrapport Arbeidsmigratie in Noord-Brabant, de markt en de mensen(handel), dat is opgesteld in opdracht van de provincie Brabant. In het rapport uiten de onderzoekers forse kritiek op de manier waarop in West-Brabant wordt omgegaan met de huisvesting van werknemers uit het midden en oosten van Europa.

Onmogelijke ambitie
De ambitie om nog dit jaar 9500 legale woonplekken voor deze arbeiders te creëren, omschrijven zij als ‘vooralsnog onmogelijk’. Daarvoor dragen ze diverse oorzaken aan. Zo varieert het draagvlak voor de onderdak van buitenlandse werknemers nogal. Niet elke gemeente beschouwt het onderwerp als prioriteit; daarom zijn veel plaatsen vooral bezig met de eigen, lokale problemen.
Ook zijn er veel West-Brabantse gemeenten die alleen naar huisvesting willen kijken voor mensen die binnen hun eigen grondgebied werken.
Slechts twee plaatsen in West-Brabant, Zundert en Drimmelen, informeren zelf ‘hun’ buitenlandse werknemers over wonen­­ en werken in Nederland. De rest laat dat over aan werkgevers of uitzend­organi­saties.

Toeristenbelasting
Een vast overlegmoment tussen gemeente, uitzendbureaus en migranten inhurende bedrijven, bestaat in veel plaatsen niet. Als er al onderling wordt gepraat, dan gaat het hooguit over zaken als fraude, overlast en de verplichting om toeristenbelasting te betalen.
Verzet van de plaatselijke bevolking speelt een grote rol bij de haperende huisvesting: ‘Burgerweerstand heeft als een rem gewerkt op de regionale huisvestingsopgave’, concludeert het rapport.
Begin 2019 deed de provincie nog een oproep aan West-Brabant om in actie te komen: doe meer aan onderdak voor buitenlanders die hier werken. Zonder resultaat: ‘Door het burgerverzet is juist gas teruggenomen.’

Geen belangenbehartigers
Waar wél werk is gemaakt van onderdak, ‘daar lijken integratie en participatie naar de achtergrond geschoven’. Anders gezegd: de arbeidsmigranten worden er min of meer aan hun lot overgelaten. Die eenzame situatie wordt benadrukt door het ontbreken van steun in de West-Brabantse samenleving. Want, constateren de onderzoekers, ‘er zijn in deze regio geen lokale organisaties actief die specifiek de belangen van migranten behartigen’.

De opstellers van het rapport hebben het idee dat arbeidsmigranten in West-Brabant worden beschouwd als een noodzakelijk kwaad: ‘Wel nodig, niet zichtbaar’.
Terwijl ze worstelen met de Nederlandse taal, de regels en amper contact maken met de lokale bevolking, is er nauwelijks aandacht voor hun kwetsbare situatie. Dat heeft gevolgen, menen de onderzoekers: ,,Misstanden worden niet of minder snel opgemerkt. Het idee kan ontstaan dat er zelfs helemaal geen misstanden zijn.’’
Het rapport werd opgesteld door Tilburg University en het Coör­dinatiecentrum tegen Mensenhandel.

Bron: BN De Stem.nl (9 februari 2020).

 

Paul Scheffer, 20 jaar na zijn essay: Migratie is maakbaar

Ik heb het aantal vluchtelingen overschat en het aantal immigranten onderschat, schrijft Paul Scheffer twintig jaar na zijn geruchtmakende essay ‘Het multiculturele drama’. „De buitenstaanders van gisteren zijn de gevestigden van morgen.” 

Op 29 januari is het twintig jaar geleden dat het essay ‘Het multiculturele drama’ van Paul Scheffer in NRC Handelsblad werd gepubliceerd. Dat stuk maakte veel los, zowel maatschappelijk als in het politieke debat. NRC onderzoekt in een serie artikelen de multiculturele samenleving anno 2020. Bekijk hier de artikelen op de website van NRC, of lees hieronder verder.

 

Vorige maand zat ik in een forum bij de presentatie van de biografie van Ahmed Aboutaleb. Naast me zat een Amsterdams raadslid, kind van Marokkaanse migranten. „Ik heb geen verhaal over een ezel en een waterput”, begon hij zijn bijdrage. „Ik ben hier geboren en vertegenwoordig een andere generatie: hoezo moet ik integreren?”
Uit Soufyan Mbarki’s woorden sprak waardering voor de rol van de burgemeester van Rotterdam, maar tegelijk was duidelijk dat hij diens manier van spreken over integratie achterhaald vond. „We zijn inmiddels verder.” Dat zelfbewustzijn, waarin ook ongeduld doorklonk, sprak me aan.

In de biografie komt ook Aboutalebs reactie op Het multiculturele drama ter sprake, een beschouwing die ik twintig jaar geleden schreef. Hij zei daarover: „Ik heb het één keer gelezen, twee keer gelezen, drie keer gelezen. Ik vond het een integer werkstuk.” Dat was een belangrijke stem, want er waren nogal wat critici die mijn beschouwing in een extreme hoek plaatsten.
Na het gesprek over de biografie vroeg ik me af of mijn ‘multiculturele drama’ niet te veel over de eerste generatie gaat. Heeft het wel iets te zeggen dat de kinderen van migranten zou kunnen aanspreken? Misschien zijn de vragen die ik oprakelde ook wel achterhaald. Inderdaad: hoezo integratie? We zijn toch veel verder?
Mijn conclusie was destijds: „Het huidige beleid van ruime toelating en beperkte integratie vergroot de ongelijkheid en draagt bij tot een gevoel van vervreemding in de samenleving. De tolerantie kreunt onder de last van achterstallig onderhoud.” En ik voegde een zin toe: „Het multiculturele drama dat zich voltrekt is dan ook de grootste bedreiging voor de maatschappelijke vrede.”
Nu zou ik zo’n essay niet meer schrijven. Te midden van alle tegenstellingen ben ik op zoek gegaan naar wat mensen bijeen kan brengen: een gedeelde toekomst weegt zwaarder dan een verdeelde herkomst. Maar als ik de omstandigheden van twintig jaar geleden voor ogen haal, zou ik met dezelfde onrust schrijven.
Wat ik heb geleerd is dat het verhaal van de migratie begint met het verlies van een vertrouwde wereld. De moeder uit de Marokkaanse gemeenschap die tegen me zei: „Ik heb het gevoel dat ik mijn kinderen aan jullie land kwijtraak.” Of een autochtone buurtbewoner die in een gesprek opmerkte: „De Nederlandse jongens hebben het op straat verloren van de Marokkanen.”
Zowel nieuwkomers als gevestigden ervaren dat verlies. Veel autochtonen vinden dat migranten zich meer moeten aanpassen, terwijl veel migranten juist vinden dat deze samenleving meer open moet staan voor hun tradities. Dat vraagt aan alle kanten om inlevingsvermogen.

In honderden ontmoetingen heb ik veel geleerd van de mensen achter de getallen – en toch ontkomen we er niet aan om ook te spreken over de getallen achter de mensen.
We zijn nu twintig jaar verder, hoe staan we er voor? Terugkijkend heb ik de groei van de immigratie onderschat. Destijds was integratie de blinde vlek, nu is immigratie de blinde vlek. De samenhang tussen beide wordt nog steeds niet echt overdacht. Toen was mijn conclusie dat een land waar de integratie haperde, niet voorop zou moeten lopen in het aantrekken van arbeidsmigranten of het opnemen van vluchtelingen.
Hoe staat het er twintig jaar later voor? Om te beginnen heb ik het aantal vluchtelingen overschat. Ik dacht destijds – met de vluchtelingen uit Joegoslavië in het achterhoofd – dat we misschien wel op een miljoen mensen zouden uitkomen. Sinds 1980 zijn ongeveer 750.000 asielverzoeken in ons land ingediend. Er zijn nogal wat mensen weggetrokken – denk aan de Somaliërs naar Engeland. Alles bijeen worden de vluchtelingengemeenschappen door het CBS twee jaar geleden op een half miljoen mensen geschat.

De totale immigratie, die ook bijvoorbeeld arbeidsmigratie omvat, heb ik echter onderschat. Kort gezegd: de omvang van de immigratie was nooit groter dan in de afgelopen tien jaar. Ik zet even het migratiesaldo (het verschil tussen immigratie en emigratie) sinds de jaren zestig op een rij. Per decennium was het jaarlijks gemiddeld: 8.603, 32.326, 20.695, 34.767, 10.822, en ten slotte voor de periode 2010-2019: 54.626.
Voor het goede begrip: in de jaren van de kabinetten-Rutte is het migratiesaldo ruim vijf keer hoger dan onder de kabinetten-Balkenende en ruim anderhalf keer zo hoog als onder de kabinetten-Kok. Dat is goed om bij stil te staan, want de bezweringen over restrictief beleid waren de afgelopen tien jaar niet van de lucht.

Het CBS heeft recent zijn prognoses aangepast. Van de 18,4 miljoen mensen die voor 2060 werd voorspeld, zitten we nu op 19,6 miljoen. In 2017 werd de immigratieprognose, die lang stabiel op 125.000 jaarlijks stond, verhoogd naar 225.000. En twee jaar later is deze alweer verhoogd naar 300.000. Dat komt in de buurt van het aantal migranten dat een groot land als Canada jaarlijks aantrekt. Ook de schatting van de emigratie is naar boven bijgesteld.
Deze prognoses reiken tot 2060, dus de optelsom van zulke aanpassingen gaat uiteindelijk over heel veel mensen. Een verschuiving van het jaarlijkse migratiesaldo met 20.000 resulteert veertig jaar later in 1,2 miljoen mensen meer of minder. De onzekerheidsmarge is fors toegenomen: de bevolking zal uitkomen tussen de 18,1 en 21,2 miljoen.
Bestuurders baseren hun planning voor woningbouw, gezondheidszorg, energieverbruik en onderwijs op zulke schattingen. De afgelopen decennia hebben de prognoses vaak achtergelopen bij de dynamiek van de immigratie, die voor bijna negentig procent de bevolkingsgroei bepaalt. Het verbaast mij niet dat we mede door deze groei tekorten zien op de woningmarkt.

Bouwen op drijfzand
De voorspellingen zijn steeds meer drijfzand geworden. En op drijfzand kun je beter niet bouwen. Daarom moeten we een omslag maken. Niet schattingen maar wenselijkheden moeten leidend zijn. Dat noemden we vroeger democratie: een geïnformeerd debat over de richting van het land. Vervolgens denken we na hoe de afstand kleiner kan worden tussen wat we willen en wat we kunnen.
In de politiek heerst rond dit vraagstuk een gevoel van onmacht: we denken dat migratie niet maakbaar is. In de praktijk bepalen markt en moraal het beleid. Natuurlijk horen belangen van het bedrijfsleven wat betreft arbeidsmigratie mee te wegen, en humanitaire beginselen als het gaat om vluchtelingen. Maar ook het sociaal contract in de samenleving hoort een belangrijke toetssteen te zijn.
Immigratie en integratie zijn van elkaar los gezongen. Dat is onterecht, want wie precies kijkt naar de integratieopdracht in deze samenleving, gaat zich vragen stellen bij het ontbreken van een immigratiebeleid. Op beide terreinen hebben we geen volwaardige bewindspersoon: een minister doet integratie erbij en we hebben een staatssecretaris die asiel doet, maar geen arbeidsmigratie.
De toegang tot staatsburgerschap raakt de grondslag van een samenleving: het lijkt op een constitutionele kwestie. Een regering zou daarom op terreinen van immigratie en inburgering altijd moeten streven naar meerderheden van tenminste tweederde. Nu blijven we na elke verkiezing met net weer andere meerderheden beleidswijzigingen op elkaar stapelen.
Het is tijd voor migratietafels: een breed opgezet gesprek over de toekomst. Het onderzoek dat dit voorjaar is afgerond naar de scenario’s van bevolkingsgroei moet tot keuzes leiden. De mensen die zeggen dat migratie niet te beïnvloeden is, omschrijven de huidige migratie graag als een ‘feit’. Maar die feiten zijn het uitvloeisel van eerdere keuzes, die vatbaar zijn voor heroverweging.
Twintig jaar geleden heb ik ook de sociale mobiliteit tussen de generaties onderschat toen ik schreef dat „hele generaties” dreigden te mislukken. Het ging me om een nieuwe „sociale kwestie”, waarvan de scherpte onvoldoende werd gezien. Ik voel nog steeds de aandrang om over achterstanden te spreken, maar de omstandigheden zijn sindsdien wel veranderd.

Destijds schreef ik in een reactie op alle kritiek: „Een samenleving die talentvolle migranten te weinig ruimte biedt, zal een prijs betalen. Hier moet nog veel gebeuren: het betekent een verandering in de samenstelling van krantenredacties, van het politiekorps, van de besturen van culturele instellingen, van het bedrijfsleven.” (NRC, 25/3/2000).
Hoe staat het nu met de sociale mobiliteit? Dat laat zich niet in één beeld vangen. De een zal zeggen: het is fantastisch dat zoveel kinderen uit Marokkaanse of Turkse gezinnen het aanmerkelijk beter doen dan twintig jaar geleden. En wie zal dat willen ontkennen? De ander zal, met een beroep op dezelfde cijfers, zeggen dat die kinderen nog steeds achterlopen bij autochtone leerlingen. En ook dat is waar. Daarom kan er zoveel politiek worden bedreven met de cijfers.

Kijken we bijvoorbeeld naar de kinderen die havo of vwo doen. Van de kinderen met een Nederlandse achtergrond gaan 49 procent dit schooltype, van de kinderen met een Turkse en Marokkaanse achtergrond respectievelijk 27 procent en 32 procent. In dat beeld zien we reële vooruitgang: de deelname was beduidend lager. En tegelijk is de achterstand nog steeds zichtbaar.
De verschillen zijn groot tussen nieuwe migranten: kinderen uit Iraanse gezinnen komen zelfs meer in het hoger onderwijs terecht dan kinderen met een Nederlandse achtergrond. Met kinderen uit Somalische gezinnen gaat het juist minder goed. De diversiteit van de diversiteit laat zich steeds minder vangen in algemeenheden over geslaagde of mislukte integratie. Gemiddelden vertellen altijd het halve verhaal.
Denk nog even terug aan de Cito-scores. Toen ik me daar jaren geleden in verdiepte, bleek dat in een stad als Amsterdam bijna een kwart van de leerlingen niet aan de toets deelnam omdat hun niveau onvoldoende werd geacht. Dat betrof vooral kinderen uit migrantengezinnen. Het risico was dat ze niet onderaan, maar naast de maatschappelijke ladder terechtkwamen. Ik dacht: daar moeten we het over hebben.

Arbeidsparticipatie van migranten
We zien duidelijke verschillen in arbeidsparticipatie van migranten. Ook daar werkt de geschiedenis van de gastarbeid lang door. Er is zeker vooruitgang tussen de generaties in Marokkaanse of Turkse kring, maar het Jaarrapport Integratie 2018 geeft een genuanceerd beeld van de tweede generatie: „Het aandeel dat afhankelijk is van een uitkering is niet of maar weinig lager dan leeftijdsgenoten uit de eerste generatie. Onder hen is het aandeel werkenden op middelbare leeftijd (35 tot 50 jaar) wel flink hoger.”
Poolse migranten doen het momenteel in alle opzichten een stuk beter dan de tweede generatie van de klassieke migrantengroepen. Hun arbeidsparticipatie ligt op het niveau van mensen met een Nederlandse achtergrond. Het aantal mensen uit Irakese en Syrische vluchtelingengemeenschappen dat werkt, is daarentegen erg laag. Ook hier geldt dat de diversiteit van de diversiteit te groot is om nog onder één noemer te kunnen brengen.
Door nadruk te leggen op de tweede generatie onderschatten we wel dat door de migratie het aantal nieuwkomers groot blijft. Bij een migratiesaldo van 50.000 zal in 2060 de eerste generatie zo’n 3,9 miljoen mensen omvatten (nu is dat 2,2 miljoen), de tweede generatie omvat dan iets meer dan 3,4 miljoen mensen. De integratieopdracht die samenhangt met een eerste generatie zal bij ons blijven.
Dus ja, we moeten het hebben over de onmiskenbare vooruitgang, over al die migranten en hun kinderen die hier hun plek hebben gevonden en veel bijdragen. De economische balans van de naoorlogse migratie is niet eenduidig positief, maar achter die balans gaan de levens schuil van vele nieuwkomers die dit land hebben verbeterd. Daarover moeten we blijven spreken.
Migratie is nooit gemakkelijk – ook het verhaal van de kinderen is vaak een verhaal van het overwinnen van obstakels. Zo vertelt traumachirurg Abdelali Bentohami: „In de tweede generatie waren we pioniers, we moesten het zelf uitvinden. Ik vergelijk het met zeeschildpadden: de moeders leggen eitjes op het strand en gaan dan weg. Ze worden geboren en moeten zichzelf voeden, daarom is de sterfte zo hoog bij die dieren.” (de Volkskrant, 12 maart 2019).

Niet wegkijken
Te midden van de vooruitgang zien we achterstanden die door discriminatie worden versterkt. Het blijkt telkens opnieuw uit onderzoek dat de achternaam van sollicitanten, helemaal los van kwalificaties, tot ongelijke kansen op een baan leidt. Daarvoor zijn geen excuses: een land dat gelijke behandeling vooropstelt, mag niet wegkijken.
Maar deze discriminatie verklaart zeker niet alle achterstanden: niemand kan namelijk verwachten dat de kinderen van laagopgeleide migranten in één generatie alles inhalen. Dat kost meer tijd. Die langetermijngevolgen moeten meewegen in de keuzes wat betreft toekomstige migratie, maar we leren weinig van de geschiedenis van de gastarbeid.

Opnieuw is het verdienmodel van ondernemers de enige maatstaf van arbeidsmigratie. Nu komt die uit Oost-Europa. Ik heb nooit begrepen waarom een deel van de progressieve goegemeente dat verdedigt. Wanneer mensen straks niet meer nodig zijn, worden de problemen weer afgewenteld op de samenleving. Zo worden private winsten tot publieke zorgen. Wie voelt zich straks verantwoordelijk voor hun kinderen die met een taalachterstand op school beginnen?
Wat ik twintig jaar geleden heb onderschat, is de problematiek rond de islam. Het was nog voor 11 september, voor de moord op Theo van Gogh, voor de reeks aanslagen en voor de terugkerende Syriëgangers. Waar ik me toen over verwonderde, waren zaken als de poging van hoofdcommissarissen om een hoofddoek aan het politie-uniform toe te voegen. Iets waar ik nog steeds geen voorstander van ben.
Voor mij was het eenvoudig: aan politieagenten, die het recht hebben anderen hun vrijheid te ontnemen, moeten we hogere eisen van neutraliteit stellen. Het uniform suggereert niet voor niets de behoefte aan uniformiteit. Door meer zekerheid te bieden kan rust gebracht worden. Dat we het zoveel jaar later nog steeds hebben over de hoofddoek bij de politie is verwijtbaar.
Maar dat het geweld zo’n schaduw zou werpen over de moslimgemeenschappen, dat viel buiten mijn voorstellingsvermogen. We hebben inmiddels jaren van radicalisering achter de rug, al worden aanslagen graag gezien als het werk van verwarde geesten. Ik zou naast aandacht voor psychologie, meer aandacht willen voor ideologie. Waarom maken de loszittende draadjes in het hoofd van een terrorist precies op dat punt kortsluiting?

Zuivere leer
Ideeën doen ertoe, zoals de burgemeester van Amsterdam, Femke Halsema, vorig jaar aan de gemeenteraad schreef. De manier waarop „een zogenaamd zuivere leer met dwang en intimidatie” wordt opgelegd aan anderen baart haar zorgen. Ze ziet hoe het salafisme overhelt naar „een fundamentalistische, agressieve afkeer van de democratische rechtsstaat”.
We zijn in Nederland onlangs getuige geweest van drie aanslagen in een jaar tijd: Malek F. in Den Haag, Jawed S. in Amsterdam en Gökmen T. in Utrecht. Voor het eerst waren er bij die laatste aanslag doden te betreuren, nadat bij de eerdere aanslagen mensen zwaargewond raakten. Zeker, in Frankrijk en Groot-Brittannië is de situatie ernstiger, maar er is genoeg reden om ons oprecht zorgen te maken.
Die zorgen lopen gemakkelijk over in een algehele afwijzing. Wanneer 55 procent van de Europeanen, zo blijkt uit een onderzoek van Chatham House, het eens is met een algehele stop op immigratie uit moslimlanden, dan is er iets erg misgegaan. Want een migratiebeleid op basis van geloof ontwricht een open samenleving. De slotsom is dat de vervreemding over en weer vooralsnog is gegroeid.

Helemaal los van radicalisering zijn er culturele verschillen die bijdragen aan deze vervreemding. Een voorbeeld: uit een vergelijking van Rotterdam en Amsterdam blijkt dat in deze steden meer dan tachtig procent van de autochtonen, maar ook van de Surinaamse of Antilliaanse migranten een homoseksuele leerkracht voor de klas geen probleem vindt. Meer dan de helft van de Marokkaanse en Turkse respondenten zegt dat wel een probleem te vinden.
De andere helft dus niet – die verschillen moeten we blijven zien. Er zijn genoeg moslims die hun geloof verzoenen met een open samenleving. De socioloog Ruud Koopmans ziet hoezeer het fundamentalisme de islamitische wereld beïnvloedt, maar waarschuwt ervoor islam en fundamentalisme te vereenzelvigen: „Het is zeker geen universeel en onontkoombaar onderdeel van de geloofsbeleving van moslims”. Er staat veel op het spel. De leerstellige moskeeën worden al te vaak gefinancierd door landen als Saoedi-Arabië, ze zijn beter georganiseerd en worden daarom door veel overheden als gesprekpartner gezien. De vrijzinnige en seculiere stemmen zijn kwetsbaar en minder zichtbaar. Maar ze zijn er wel – we moeten beter leren kijken en luisteren.
Mijn verwachting dat de secularisering ook deze geloofsgemeenschappen zou raken, is voorlopig niet uitgekomen. Integendeel, onderzoek laat zien dat mensen met een Marokkaanse of Turkse achtergrond zich nog steeds in overgrote mate, namelijk rond de negentig procent, zien als gelovig. Dat is een verrassende ontwikkeling, die gevolgen heeft.

Discriminatie op de huwelijksmarkt
Tot nog toe trouwen bijvoorbeeld maar weinig moslims buiten de eigen gemeenschap. Ruim zestig procent van de Marokkaanse en Turkse Nederlanders zeggen het „vervelend” te vinden als hun dochter met een niet-moslim zou trouwen. De omgekeerde vraag mogen we ook stellen. Discriminatie op de huwelijksmarkt kan even venijnig zijn als discriminatie op de arbeidsmarkt.
Het gaat niet om een schuldvraag: dat mensen die in illiberale samenlevingen zijn opgegroeid vaak traditionele opvattingen over zulke kwesties huldigen, kan niemand verbazen. Maar het mag ook niemand verbazen wanneer een meer liberale samenleving er veel moeite mee heeft om met zulke ideeën in aanraking te komen.
De grondslag van alle integratie is wederkerigheid: de vrijheid van de een is een verantwoordelijkheid van de ander. Concreet betekent dat: wie het recht van godsdienstvrijheid voor zichzelf opeist, moet ook bereid zijn om die vrijheid te waarborgen voor mensen met een andere godsdienst of zonder godsdienst. Het onderwijs in burgerschap moet beter in de wet worden verankerd, zoals de regering wil.
Het is wel duidelijk dat nogal wat mensen – binnen én buiten de moslimgemeenschappen – deze wederkerigheid niet omarmen. Ze eisen een monopolie voor hun eigen overtuigingen. Dat mag in een liberale democratie – ook in een open samenleving kun je een gesloten wereldbeeld aanhangen –, maar als het grotere groepen worden komt de democratie onder druk te staan.
Mijn conclusie is dat we nu beter de risico’s van radicalisering onderkennen – ook aan de extreem-rechtse kant – maar er nog onvoldoende in slagen om de tolerantie te bewaken. De godsdienstvrijheid staat onder druk: te veel mensen vinden dat de islam niet in de democratie past en te veel mensen vinden dat de democratie niet in de islam past. De buitenstaanders van gisteren zijn de gevestigden van morgen.

Ten slotte heb ik onderschat hoe gevoelig het pleidooi voor taal- en cultuuroverdracht ligt. We zitten midden in een verandering van de verbeelde gemeenschap die Nederland is. Migratie verandert niet alleen de materiële orde van een samenleving, maar meer nog de symbolische orde. Daar ontvlammen de gevoelens: Gouden Eeuw, roetveegpiet, boerka, slavernij.
Wie verandering door immigratie ziet als een opeenvolging van vermijding, conflict en aanvaarding, schrikt iets minder van de botsingen over bijvoorbeeld het sinterklaasfeest. Wanneer mensen uit bijvoorbeeld de Surinaamse gemeenschap zich ongemakkelijk voelen bij Zwarte Piet, dan maken ze toch vooral duidelijk: ook wij willen ons thuis voelen bij dit feest. Die toe-eigening is een vorm van burgerschap.
De verandering kan niemand ontgaan. Kijk maar naar de canon van de Nederlandse geschiedenis. Het zou ondenkbaar geweest zijn als die niet ook het koloniale verleden zou hebben omvat. Er is een nationaal monument slavernijverleden gekomen. In het adjectief ‘nationaal’ wordt een gemeenschap aangesproken op zijn verantwoordelijkheid. Dat is vooruitgang.
In mijn essay vroeg ik om meer aandacht voor de overdracht van de geschiedenis: „Wie nadruk legt op collectieve herinnering zal ook beseffen dat een discussie over het Nederlandse aandeel in de slavernij geen onzin is. Ook de ‘zwarte’ bladzijden in ons verleden moeten worden besproken. Een dwingender zelfonderzoek naar zulke episoden is één van vele vragen die de komst van velen uit vroegere koloniën met zich meebrengt.”
Ik pleitte voor een museum voor de Nederlandse geschiedenis. Voorbeelden van zulke musea in Australië en Duitsland laten zien dat zo’n verbeelding van het verleden tot zelfonderzoek kan aanzetten. Daarom is het zo teleurstellend dat het museum er niet is gekomen. Ondanks een ruime Kamermeerderheid is dat plan gesmoord in politieke onwil en postmoderne verwarring.

Zo worden telkens kansen gemist. Ik vind dat we op het idee terug moeten komen: een nationaal museum voor de geschiedenis zou een plek kunnen zijn waarin een nieuw beeld van Nederland vorm krijgt – inclusief zijn lange migratiegeschiedenis. Het gaat om het besef dat er iets aan ons vooraf is gegaan en iets na ons komt, dat we een onderdeel zijn van een verhaal van verandering, een verhaal zonder einde.
De woorden van de Amerikaanse schrijver James Baldwin blijven een bron van inspiratie. In The Fire Next Time (1963) probeerde hij een brug te slaan: „Wanneer we blijven volharden in het zelfbeeld van een blanke natie, hoewel we dat nauwelijks zijn, veroordelen we onszelf tot steriliteit en verval. Wanneer we onszelf zouden zien zoals we werkelijk zijn, dan zouden we de westerse verworvenheden nieuw leven kunnen inblazen.”
Aandacht voor het koloniale verleden hoeft niet te ontaarden in een nieuwe beeldenstorm – al is dat een erg vaderlandse traditie. Er hoeven geen koloniale standbeelden omver te worden getrokken om een standbeeld van de Surinaamse schrijver Anton de Kom op te richten. De kring van het samenleven kan worden verruimd door alle lagen in onze geschiedenis te laten zien.
Ook pleitte ik voor meer aandacht voor taal. Dat we in een situatie verzeild zouden raken waarin een universiteit helemaal op Engels overschakelt, had ik nooit kunnen bevroeden. Zulke keuzes mogen we niet aan individuele instellingen overlaten: die geven kortetermijnbelangen voorrang boven maatschappelijke afwegingen.
En, hoe kan een land zijn nieuwkomers overtuigen dat het leren van de taal wezenlijk is wanneer de elites er zo achteloos mee omspringen? Wie studenten geen academische vorming geeft in de eigen taal, vervreemdt de toekomstige bovenlaag van de samenleving. We zien nu al de dat de kloof tussen laag opgeleid en hoogopgeleid steeds dieper wordt gegraven. Vooral met de taalvaardigheid is het treurig gesteld. Daar zien we een daling tot onder het gemiddelde van de rijkere landen, en dat treft kinderen uit migrantengezinnen in het bijzonder. Dit soort ongeletterdheid doet afbreuk aan burgerschap. Wie de taal niet beheerst, kan onvoldoende invloed uitoefenen op de eigen omgeving, laat staan de richting van het geheel mee bepalen.

Schrijver Kader Abdolah reageerde zo op het multiculturele drama: „Paul Scheffer, ga aan de kant. Dit land is nu ook van ons.” Ik dacht: dat is nu precies waarop ik hoop. Want daarmee is ook gezegd: wij zijn van dit land. Je kunt namelijk geen invloed uitoefenen op het geheel zonder de wil om deel uit te maken van het geheel. Niet dat ik aan de kant hoef te gaan, het land is ruim genoeg.
Ik ben twintig jaar geleden gaan schrijven over deze kwesties met als uitgangspunt dat ik onderdeel van het probleem ben. Ik wilde niet spreken over anderen die minder verdraagzaam werden, ik stelde vast dat mijn eigen tolerantie afbrokkelde. Het ging me niet om anderen die worstelen met het gevoel dat we iets kwijtraken, ik wilde mijn eigen ervaring van verlies onder woorden brengen. Toen was ik niet bezig met de schuldvraag, nu al helemaal niet meer.
Dat is het voordeel als je met een pen in de hand zonder last of ruggenspraak de wereld tegemoet kan treden. Weinig heeft me zo in mijn leven geraakt als de ontmoetingen die volgden op de publicatie van Het multiculturele drama. Het gaat niet zozeer om pessimisme of optimisme, het gaat om betrokkenheid of gelatenheid. Juist door iets terug te zeggen had ik het gevoel een verandering mee vorm te geven.
Ik heb me willen openstellen voor het verwijt dat ik met mijn ‘multiculturele drama’ onbedoeld heb bijgedragen aan een verruwing die het inlevingsvermogen geen goed heeft gedaan. Met boeken als Het land van aankomst en de documentaire Land of Promise, die ik met René Roelofs heb gemaakt, heb ik geprobeerd om de verhalen van nieuwkomers en van de mensen die er al waren zichtbaar te maken.
Niemand kan ontkennen dat we verder zijn dan toen: de verandering van Nederland is onmiskenbaar. Er is na al die jaren genoeg om tevreden op terug te kijken. Niet alleen is de zichtbaarheid van migranten en vooral hun kinderen in het openbare leven toegenomen, ook baant de aanvaarding van die verandering zich een weg in en door alle conflicten.

Nieuwe verscheidenheid
Toch werpen Godfried Engbersen en zijn collega’s in een recente studie voor de WRR een paar vragen op over de nieuwe verscheidenheid: „Hoe diverser een buurt is, hoe minder mensen zich daar thuis voelen.” Bij die afnemende samenhang spelen ook sociale achterstanden een rol, maar „de invloed van de diversiteit is een stuk groter”. Daar moeten we over willen nadenken.
Dit land is een immigratieland geworden, maar de keuzes die bij een immigratieland horen worden ontweken. Ik stelde al eerder vast dat momenteel meer mensen dan verwacht naar ons land komen. Een nieuwe doordenking van de langetermijngevolgen is nodig, met als inzet dat zoveel mogelijk mensen zich thuis kunnen voelen in dit veranderende land.
De schrijver Anil Ramdas zei het goed: „Nederland is een samenleving in wording. Als je vraagt of de integratie is geslaagd, is dat net zoiets als of de samenleving af is.” Nieuwe mensen trekken naar deze contreien. De cyclus van vermijding, conflict en aanvaarding blijft zichtbaar. Dat wil niet zeggen dat de geschiedenis in een kringetje draait: eerdere migranten worden onderdeel van de verbeelde gemeenschap.
Ooit zei iemand uit de Surinaamse gemeenschap tegen me tijdens een debat in de Bijlmer: „Niemand heeft het meer over ons.” Ik dacht: tel je zegeningen. Zo gaat het meestal. De buitenstaanders van gisteren zijn de gevestigden van morgen. Die verandering gaat gepaard met conflicten, maar zolang die vreedzaam zijn, is het een teken van voortgaande integratie.
Zinnetjes als „immigratie is een feit” of „wen er maar aan” gaan ons niet verder helpen. Ze doen een beroep op gelatenheid, maar zo’n ingrijpende verandering kan alleen worden gezien als een vooruitgang wanneer we het idee van een open samenleving dichter benaderen. De komst van zovelen van over de hele wereld nodigt aan alle kanten uit tot zelfonderzoek.
De waarde van culturen mogen we afmeten aan de mate waarin ze de vrijheid en de kennis verruimen. Gelijke behandeling en gelijkwaardigheid, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst zijn waarden die we kunnen delen. Niemand hoeft te integreren in de samenleving zoals die nu is, maar in de samenleving zoals die zou kunnen zijn. Inderdaad, een gedeelde toekomst weegt zwaarder dan een verdeelde herkomst.

Bron: NRC.nl (24 januari 2020).

 

Vanaf 2021 SNF-keurmerk per pand en scherpere normen

Op 15 januari heeft het bestuur van Stichting Normering Flexwonen (SNF) besloten om het advies van de commissie toekomstvisie SNF op te volgen en in 2021 certificering per pand in te voeren. Dit houdt in dat alle panden die worden ingezet voor huisvesting van arbeidsmigranten periodiek geïnspecteerd zullen worden, daar waar tot nu toe jaarlijks een steekproef van de door de onderneming gebruikte locaties wordt geïnspecteerd. Ook verscherpt SNF haar normen.

Het bestuur van de Stichting heeft in het najaar van 2019 een commissie toekomstvisie SNF ingesteld met vertegenwoordigers vanuit de uitzendsector, de huisvestingssector en de vakbond. Deze commissie had de opdracht om te komen tot advies over de keurmerkeisen én de inspectiemethode op de middellange termijn. Deze commissie heeft aanbevelingen gedaan op het vlak van hygiëne, privacy en klachtenafhandeling, maar vooral geadviseerd om een 100%-controle in te voeren van de panden die worden gebruikt voor huisvesting van arbeidsmigranten.

Voorzitter Koos Karssen: “In de Nationale Verklaring Huisvesting Arbeidsmigranten uit 2012 spraken partijen af om met steekproeven te werken. In het afgelopen jaar hebben we met heel veel partijen intensief overleg gevoerd over een betere controle op de huisvesting om een fatsoenlijk niveau van huisvesting te realiseren. In de Kamerbrief van 21 december 2019 ‘Integrale aanpak misstanden arbeidsmigranten’ schrijven de Ministers over het belang van goede huisvesting en de noodzaak om misstanden te voorkomen. De tijd is nu echt rijp voor een 100%-controle van de panden die worden ingezet voor huisvesting van arbeidsmigranten.”

Voorgesteld wordt ook om ‘toezicht en beheer’ toe te voegen aan de normen. Voor bewoners houdt dat onder andere in dat bij de grote locaties een beheerder beschikbaar is. Voor omwonenden moet er in elk geval een aanspreekpunt bij de verhuurder bekend zijn. Ook wordt de staat waarin de locatie verkeert in de toekomst gecontroleerd. “Het advies is vergaand en het zal nog veel voeten in de aarde hebben om alles te realiseren, maar het signaal van alle partijen is duidelijk: controles per pand en scherpere normen zijn gewenst om de kwaliteit van huisvesting voor de arbeidsmigrant te garanderen. Daar gaan we hard voor aan de slag en wij zijn voornemens periodiek een update te geven”, aldus Karssen.

Bron: Normering Flexwonen (22 januari 2020).