INT-AR Papers 3

Jan Cremers (Tilburg University)

Wat is verdringing op de arbeidsmarkt?

Verdringing treedt op als het vinden van een baan van de een baanverlies (of het niet verkrijgen van een baan) betekent van de ander. Het begrip wordt in nationale en internationale studies op verschillende manieren omschreven. De situatie waarbij werkzoekenden onder hun niveau werken wordt een vorm van conjuncturele, tijdelijke verdringing genoemd; tijdens economische neergang en oplopende werkloosheid zijn meer arbeidskrachten beschikbaar dan arbeidsplaatsen. Werkgevers stellen personen aan met een hoger opleidingsniveau die lager opgeleiden wegdrukken. Bij arbeidsmigratie zijn de aangetrokken buitenlandse werknemers vaak hoger opgeleid dan strikt noodzakelijk is voor de aangeboden functies; toch wordt in dit verband niet direct aan conjuncturele verdringing gerefereerd. Bij arbeidsmigratie moet het gebruik van de term verdringing vooral gezien worden als een netter woord voor de uitspraak ‘ze pikken onze banen in’. In de zoektocht naar kostenverlaging worden werknemers aangetrokken die minder eisen stellen en gemakkelijk inzetbaar zijn. Er is sprake van verdringing als een daling van het aantal banen voor binnenlandse werknemers een aantoonbaar gevolg is van het aanbod van arbeidsmigranten. De SER maakt in een advies uit 2014 over migratie een onderscheid tussen directe verdringing (verlies van werk door de komst van arbeidsmigranten) en indirecte verdringing (binnenlands aanbod maakt minder kans door de aanwezigheid van buitenlands aanbod). Dat advies stelt op basis van beschikbare studies dat de verdringingseffecten, ook tijdens een recessie, beperkt kunnen worden genoemd, hoewel dit in bepaalde beroepsgroepen of bedrijfstakken anders kan uitpakken.

Onderzoek naar verdringing voorafgaand aan de economische crisis

In een SEO-onderzoek (uit 2008) naar de economische effecten wordt, over de periode 1999-2005, geen grootschalige verdringing van binnenlandse werknemers door de komst van langdurige arbeidsmigranten uit de MOE-landen vastgesteld. In later onderzoek keek SEO naar het effect van de aanwezigheid op de arbeidsmarkt van arbeidsmigranten na 2005. Volgens de onderzoekers was de arbeidsmarkt goed in staat de komst van langdurig verblijvende arbeidsmigranten uit de MOE-landen in 1999-2008 te verwerken. De groei van het aantal langdurig verblijvende arbeidsmigranten had een positief effect op de binnenlandse werkgelegenheid. Tijdelijke migranten bleken, mogelijk omdat ze goedkoop waren, in geringe mate binnenlandse kandidaten te verdringen. Per saldo had de migratie een (klein) neerwaarts effect op het gemiddelde loonniveau. Dat effect was waar te nemen in de laagste loonklasse en afwezig in hogere loongroepen. Voor de laagste loonklasse gold dat het loon negatief werd beïnvloed door het aandeel langdurige arbeidsmigranten dat in dezelfde sector en regio werkte. In groeisegmenten konden positieve effecten worden opgetekend: daar bleek de inzet van migranten complementair aan het binnenlands aanbod. In krimpsegmenten traden soms negatieve effecten op: arbeidsmigratie bleek daar concurrerend te zijn met het binnenlands aanbod. Beide effecten waren echter in omvang zo gering, dat het netto effect nul was. Ook in de periode 2005-2008 leek de binnenlandse arbeidsmarkt dus niet getroffen door een groeiende verdringing van Nederlandse werknemers, ondanks een verdubbeling van het aantal arbeidsmigranten.

Deze uitkomsten kwamen in hoge mate overeen met Brits onderzoek dat, in een periode waarin de arbeidsmigratie naar Groot-Brittannië fors groeide (1997-2005), weinig verdringingseffecten kon waarnemen, maar wel een druk op de lage lonen en een positief effect op de hogere loongroepen constateerde. Dit uitte zich vooral door een neerwaarts effect op de lonen van al langer aanwezige migranten. Arbeidsmigratie had geen significant effect op de werkgelegenheidsperspectieven van Britse werknemers. De adviescommissie MAC van de Britse regering legde nog een andere relatie tussen de beloning en het binnenlandse aanbod. De MAC stelde dat een verbetering van de lonen in sommige sectoren een sterke stimulans zou betekenen voor de instroom van Britse werknemers. Noorse economische analyses leverden een vergelijkbaar beeld: de inzet van arbeidsmigranten zorgt voor een neerwaartse druk op de lonen in de laagste looncategorieën. Indirect is sprake van verdringing; daarvan is in tijden van hoogconjunctuur weinig te merken.

Verdringing tijdens de economische crisis

Vervolgonderzoek naar verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt, in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, leidde (eind 2014) tot de conclusie dat in sommige sectoren werknemers last hadden van verdringing door de komst van werknemers uit Midden en Oost-Europa, in de hand gewerkt door oneerlijke concurrentie. Het is voor werkgevers goedkoper personeel te huren via buitenlandse constructies en bemiddelaars. Risicogroepen voor verdringing zijn laagopgeleiden, jongeren en allochtonen. Arbeidsmigranten die naar Nederland komen blijken echter vooral in banen terecht te komen waarvoor Nederlandse werklozen zich niet aanbieden.

Latere studies tonen weinig verband aan tussen de aanwezigheid van migranten uit CEE-landen en de binnenlandse werkgelegenheid (in termen van banen en beloning) ten tijde van de crisis. Onderzoekers gaan er meestal van uit dat migranten mobiel zijn en wegtrekken op het moment dat de werkgelegenheid verslechtert, mede omdat de toegang tot de sociale zekerheid vaak niet aanwezig is. In een studie in opdracht van het ministerie van SZW, uitgebracht in 2014, constateert SEO dat tijdens de crisis de arbeidsmigratie wel afnam uit West-Europa, niet of nauwelijks uit Oost-Europa. In de sectoren landbouw, industrie, bouw, groothandel en transport daalde het aantal Nederlandse werknemers terwijl tegelijkertijd het aantal buitenlandse werknemers toenam. Dit ging vrijwel steeds gepaard met een verschuiving van vaste naar flexibele arbeidsvormen. In die sectoren was sprake van zowel een zoektocht naar goedkope arbeid, als van een voortgaande flexibilisering. Kostenverlaging werd bereikt door te kiezen voor arbeidsmigranten die lagere lonen en hoge flexibiliteit voor lief nemen. Deze verdringing heeft vooral plaatsgevonden in arbeidsintensieve banen met gestandaardiseerde werkzaamheden, waar op prijs en niet op kwaliteit wordt geconcurreerd en waarbij beheersing van de Nederlandse taal minder belangrijk is. Arbeidsmigratie heeft een verdelingseffect op bepaalde groepen, die effecten kunnen zowel negatief als positief zijn. Voor enkele risicogroepen, die het meest concurreren met migranten, overheersen de negatieve effecten. Groepen die nauwelijks concurreren met migranten ondervinden positieve effecten.

De effecten op de arbeidsmarkt

In de meeste analyses wordt bij verdringing vooral gekeken naar baanverlies en naar directe en indirecte werkgelegenheidseffecten. Een ander aspect wordt vaak over het hoofd gezien, namelijk de invloed op de flexibilisering van de arbeidsmarkt. De rekrutering van arbeidsmigranten leidt voor het merendeel tot flexibele, tijdelijke en relatief kortere dienstverbanden en vergemakkelijkt verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt. Een Frans onderzoek dat kijkt naar de arbeidsrelatie van de arbeidsmigrant lijkt deze constatering te onderbouwen. De onderzoeker analyseert hoe arbeidsovereenkomsten (en derhalve loonrigiditeit) de arbeidsmarktuitkomst van autochtonen kunnen beschermen tegen migratie. Hij concludeert dat migratie geen effect heeft op het loon van autochtone werknemers met een vast contract maar wel tot een loonsverlaging leidt bij autochtone werknemers met een flexibel contract. Deze asymmetrische invloed op het loon geeft aan dat het loon van werknemers met een contract voor bepaalde tijd door bedrijven gemanipuleerd kan worden om arbeidskosten bij te stellen. Omdat arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd een korte tijdsduur hebben en zonder kosten kunnen worden beëindigd, bieden deze contracten werkgevers een aantal mogelijkheden loonkosten aan te passen: bedrijven betalen nieuwe medewerkers lagere lonen dan de werknemers die met een contract voor bepaalde tijd het bedrijf hebben verlaten. Het personeelsverloop van medewerkers met een vast contract is lager en deze werknemers genieten vaak meer bescherming. Het is bijgevolg voor bedrijven niet mogelijk het loon van werknemers met een vast contract te verlagen. Echter, als autochtone werknemers met vaste contracten het bedrijf verlaten kunnen zij worden vervangen door migranten in tijdelijke banen. Wanneer dit gepaard gaat met een verslechtering van de arbeidsvoorwaarden vermindert een stijgende migratie het aantal ‘normale’ banen. Een groei van het aantal migranten kan zo een negatief effect hebben op de stabiele vormen van werkgelegenheid van autochtone werknemers met vaste contracten. Geen baanverlies dus, maar een voortschrijdende relatieve afname van de ‘zekere’ banen en van de stabielere arbeidsrelaties.

Januari 2017, een pdf van de tweede, herziene uitgave kan worden gedownload.