INT-AR Paper 4

Onderzoek naar arbeidstekorten

Deze bijdrage gaat in op de beoordeling van tekorten op de arbeidsmarkt en het ten behoeve daarvan voorgestelde beleid. Voor de definitie van arbeidsmarktfricties wordt aangesloten bij een internationaal gehanteerde omschrijving, die ook door de SER in haar advies over arbeidsmigratie is gehanteerd: tekort aan of schaarste van arbeid kan zowel absoluut zijn (arbeid niet beschikbaar), als relatief zijn (arbeid niet beschikbaar tegen de geboden voorwaarden – loon, arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden).[1] Het SER-advies spreekt de verwachting uit dat Nederland, net als de rest van de EU, een tekort aan (jonge) hoger opgeleiden zal krijgen en daarmee een behoefte aan kennismigranten. In het verlengde hiervan bepleit de SER een sterk binnenlands arbeidsmarktbeleid, met onder meer initiatieven om de (niet-benutte) kwalificaties van al aanwezige migranten te koppelen aan bestaande en te verwachten tekorten op de Nederlandse arbeidsmarkt.

Meerdere bronnen stellen dat toekomstige behoeften van de arbeidsmarkt en daarmee samenhangende arbeidsmarktfricties zich moeilijk laten voorspellen. De te verwachten behoeften hangen samen met het functioneren van de arbeidsmarkt en met technologische ontwikkelingen die direct van invloed kunnen zijn op de aard van de beroepen en de hoeveelheid werkenden die nodig zijn. De technologische ontwikkeling heeft een belangrijke invloed: productieprocessen en taken kunnen worden opgesplitst in delen en verplaatst naar gespecialiseerde fabrieken in meerdere landen, met tot gevolg een internationale, economische specialisatie gebaseerd op offshoring, outsourcing of reshoring. Schaarste aan arbeid kan leiden tot verplaatsing van (onderdelen van) de productie naar andere gebieden of landen, tot substitutie van arbeid door kapitaal of tot het importeren van (onderdelen van) de benodigde producten.

Desalniettemin concluderen de meeste waarnemers dat de vraag naar goed geschoold personeel en toekomstige tekorten in technisch geschoolde en sociale beroepen en, in mindere mate, in de zorg en het onderwijs tot ernstige arbeidsmarktfricties kunnen leiden.

Vergelijkende Europese studies

In een studie (uit 2015) voor de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken van het Europees Parlement staat een overzicht van de verwachte arbeidstekorten, zowel naar soort, als naar oorzaak en omvang.[2] Kwantitatieve tekorten komen voort uit een krimpende beroepsbevolking, een afnemende participatiegraad, een toenemende vraag en een geografische dispariteit in de bevolkingsopbouw. Kwalitatieve tekorten uiten zich in een slechte aansluiting tussen de gevraagde en de beschikbare scholingsniveaus, een voorkeur van werknemers die niet overeen komt met het aanbod en een slecht imago in combinatie met een gebrekkige informatieverschaffing over aangeboden banen. Volgens de studie zijn er geen kwantitatieve tekorten op EU-niveau, maar vooral kwalitatieve tekorten, gerelateerd aan scholingstekorten en onvoldoende aansluiting. In tegenstelling tot veel andere landen is de regionale dispariteit in Nederland vrij gering. Voor Nederland worden vooral kwalitatieve tekorten geconstateerd, met een groeiende vraag naar vakmensen in de maakindustrie, de bouw, de zakelijke dienstverlening, de energiesector en de ICT. Nederland is medekoploper als het gaat om de tekorten in enkele technische beroepen, in specifieke ICT-beroepen en er is meer vraag naar dan aanbod van medische specialisten. Migratie kan zorgen voor een vermindering van de tekorten in de ontvangende landen, maar kan tegelijkertijd leiden tot kwantitatieve tekorten in de herkomstlanden. De emigratie van professionals in de gezondheidszorg uit de MOE-landen levert bijvoorbeeld een serieus probleem op met tekorten in ziekenhuizen en gezondheidsinstellingen in verschillende MOE-landen.

Een rapport van de Europese Commissie behandelt de belemmeringen die werkgevers ondervinden in de zoektocht naar gekwalificeerd personeel.[3] Een survey bracht aan het licht dat 40% van de ondervraagde ondernemers (in 2013) problemen ondervond bij de werving van geschoold personeel. In de helft van de gevallen gaat het om werkelijke scholingstekorten; een derde van de gevallen is terug te voeren op lage honorering. Onaantrekkelijke arbeidsvoorwaarden, samengaand met atypische werktijden, gebrekkige carrièreperspectieven en beperkte scholingsmogelijkheden, verklaren waarom het vaak moeilijk is mensen te vinden, zeker als geen vaste baan in het verschiet ligt. Het rapport stelt vast dat Nederland nog geen opwaartse druk op de lonen kent, omdat naar verhouding voldoende geschoold personeel op de arbeidsmarkt te vinden is. Het gespitst zijn op talentontwikkeling (en een goed HR-beleid) verklaren mogelijk ook waarom de scholingstekorten nog geen grote omvang kennen.

Migratie en arbeidsmarktfricties – de Nederlandse analyse

Arbeidsmarkttekorten worden in Nederland in kaart gebracht door verschillende instellingen. Het UWV (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen) gebruikt enkele instrumenten, bijvoorbeeld de sectoromschrijvingen, waarin tekorten en overschotten per sector worden beschreven. Het ROA (Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt) stelt regelmatig overzichten samen van de huidige en toekomstige ontwikkelingen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) publiceert onder andere de Enquête Beroepsbevolking.

Het UWV publiceerde in mei 2014 een overzicht waarin is gekeken naar beroepen met een krappe arbeidsmarkt. Het is een zo goed mogelijk onderbouwd overzicht van krapteberoepen. Op middelbaar niveau waren er signalen van krapte in uitvoerende technische functies en technisch ‘kader’; op hoger en wetenschappelijk niveau werden signalen van krapte in andere richtingen gevonden, bijvoorbeeld bepaalde ICT-beroepen (programmeurs), het onderwijs (specifieke vakken) en specifieke financiële beroepen (actuarissen en fiscalisten). In de zorg konden alleen signalen van krapte in specifieke functies worden opgetekend (bijvoorbeeld wijkverpleegkundigen en specialisten ouderengeneeskunde). Veel krapteberoepen waren te vinden in de metalektro en metaalbewerking en delen van de industrie, de specialistische zakelijke dienstverlening en de ICT-sector.[4]

Het ROA verwacht grote fricties en spanningen tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt in de nabije toekomst in de segmenten ICT en techniek. In het meest recente onderzoek (2015) spreekt het ROA over een te verwachten groeiende vraag naar technische beroepen verspreid over alle opleidingsniveaus, namelijk mbo techniek, hbo techniek en wo techniek. De bezuinigingen in de zorg- en welzijnssector hebben grote gevolgen voor de geprognotiseerde werkgelegenheidsontwikkeling; in tegenstelling tot enkele jaren geleden worden in die sectoren minder fricties voorzien.[5]

Het CBS noemt de toename van de migratie een van de mechanismen die in werking kunnen treden als het arbeidsaanbod terugloopt. In een regressieanalyse is nagegaan of veranderingen in het recente verleden in de omvang van de beroepsbevolking de arbeidsmigratie naar Nederland hebben beïnvloed. Er is geen significant verband te leggen is tussen arbeidsmigratie en -aanbod. In de jaren dat het arbeidsaanbod sneller steeg kwamen niet minder arbeidsmigranten binnen en in de jaren dat het trager steeg niet meer. Hiermee is niet uit te sluiten dat een deel van de migratie een gevolg is geweest van tekorten aan Nederlandse werknemers in specifieke sectoren, maar op het niveau van het totale arbeidsaanbod en de gehele migratiestroom lijkt die relatie er niet te zijn geweest. Het CBS ziet er daarom van af de vergrijzing en demografische krimp als voorspeller voor migratie te gebruiken.[6]

Een onderzoek naar arbeidsmarkttekorten van het Europees Migratienetwerk (EMN) kijkt vooral naar de behoefte aan zogenaamde derdelanders en laat de mobiliteit van EU-werknemers buiten beschouwing.[7] De arbeidsmarktkrapte concentreert zich in techniek, ICT en een aantal specifieke niches. Het betreft vooral beroepen op middelbaar, hoger en wetenschappelijk niveau. Met uitzondering van de top van de arbeidsmarkt, waar arbeidsmigratie wordt ingezet als middel voor het versterken van de economie, speelt de analyse van arbeidsmarkttekorten geen rol in het migratiebeleid: arbeidsmigratie van derdelanders als beleidsinstrument wordt niet ingezet om geïdentificeerde tekorten aan te pakken. Het initiatief ligt vrijwel altijd bij de werkgever. EMN tekent aan dat een kleinere en oudere beroepsbevolking in alle EU-landen het potentieel aan EU­migranten zal verkleinen. Niet alleen zijn minder EU­migranten beschikbaar, ook de concurrentie met andere landen die migranten aantrekken wordt groter. Impliciet pleit EMN voor een actievere opstelling waarbij het migratiebeleid niet langer het sluitstuk van het arbeidsmarktbeleid vormt.


[1] https://www.ser.nl/~/media/db_adviezen/2010_2019/2014/arbeidsmigratie.ashx

[2] http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2015/542202/IPOL_STU%282015%29542202_EN.pdf 

[3] http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=738&langId=en&pubId=7859&furtherPubs=yes

[4] https://www.werk.nl/xpsimage/wdo211581 

[5] http://roa.sbe.maastrichtuniversity.nl/roanew/wp-content/uploads/2016/01/ROA_R_2015_6.pdf 

[6] http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/472C113E-E5D4-455B-8EA9-B3420B8FF074/0/20131201b12art.pdf 

[7] http://ec.europa.eu/dgs/home-affairs/what-we-do/networks/european_migration_network/reports/docs/emn-studies/emn-studies-20b_netherlands_labour_shortages_nl_version.pdf