INT-AR Paper 7

Inleiding: welke belangrijke effecten zijn verbonden aan arbeidsmigratie?

In dit paper worden de macro-economische effecten van arbeidsmigratie samengevat die in de relevante economische literatuur zijn terug te vinden. Ingezoomd wordt vooral op de (macro) economische effecten voor het ontvangende land. De onderzochte economische effecten betreffen de groei, de arbeidsmarkteffecten, en het gebruik van en de bijdrage aan de sociale zekerheid. In de onderzochte literatuur is het soms moeilijk een helder onderscheid te maken tussen de algemene effecten en de afzonderlijke effecten van arbeidsmigratie, vluchtelingen-, gezins- en studentenmigratie. De economische literatuur op dit terrein is veel dank verschuldigd aan het werk van George Borjas en Barry Chiswick over de effecten in de VS. Migratie patronen in Europa wijken evenwel in belangrijke mate af van de traditionele patronen in migratielanden als de VS en Canada. Vandaar dat we expliciet onderzoek in Europese landen opnemen in dit paper.

Economische groei

In theorie en deels in de praktijk levert immigratie een additioneel aanbod van arbeid op, op lange termijn resulterend in economische groei. Op korte termijn verwachten mainstream economen bij een bevolkingstoename (en dus ook bij toenemende migratie) een lagere groei, als gevolg van afnemende schaalvoordelen (Dolado et al, 1994). De precieze omvang van deze effecten is onder meer afhankelijk van de mate van verdringing van lokale werknemers door migranten en van het (menselijk en fysiek) kapitaal dat migranten het gastland bieden (zie o.a. Kemnitz, 2001). In een economische situatie met grote arbeidstekorten stimuleert immigratie de economische groei, indien de aangetrokken migranten de benodigde kwalificaties meebrengen. Kent de arbeidsmarkt daarentegen een grote arbeidsreserve, dan leidt immigratie alleen maar tot hogere concurrentie om een beperkt aantal arbeidsplaatsen, vaak ten koste van de arbeidsmarktperspectieven van reeds aanwezige werknemers met vergelijkbare kwalificaties. Economische groei is dan minder te verwachten. In feite is weinig hard empirisch bewijs te vinden voor (negatieve of positieve) effecten op de economische groei in de literatuur. Bovendien spitst veel literatuur zich toe op de economische effecten in de landen van herkomst, met enig bewijs dat migratie positief uitwerkt voor de herkomstlanden (o.a. Dos Santos & Postel-Vinay, 2003). In studies die zich richten op de ontvangende landen wordt de causaliteit meestal omgedraaid: economische groei leidt dan tot immigratie en niet omgekeerd (Morley, 2006; Islam et al, 2012). De effecten van migratie op economische groei in het ontvangende land kunnen dus niet ondubbelzinnig worden vastgesteld.

Werkgelegenheidseffecten en lonen

Effecten van arbeidsmigratie op de arbeidsmarkt hangen samen met de potentiële economische groei. Voor die arbeidsmarkteffecten is een vergelijking van het relatieve niveau (van menselijk kapitaal) van lokale werknemers en migranten relevant, naast de mate waarin migranten een complementaire of verdringende werking kunnen hebben op de reeds aanwezige beroepsbevolking. De theoretische literatuur komt niet tot definitieve conclusies over arbeidsmarkteffecten, vanwege de heterogeniteit van de migratievormen en de specifiek eigenschappen van een gastland (Danette & Fromentin, 2013). Tevens is het van belang stil te staan bij het distributie-effect: wie wint en wie verliest bij immigratie. Dit hangt in sterke mate af van het kwalificatieniveau van het migrantenbestand in vergelijking met de lokale beroepsbevolking (Dustmann, 2008). Theoretische voorspellingen van het effect van immigratie op het lokale loonniveau zijn sterk afhankelijk van de gemaakte aannames. Belangrijkste aannames zijn of de ontvangende economie open staat voor de internationale handel en de mate van vervangbaarheid van lokale werknemers (Friedberg & Hunt, 1995). Een ander belangrijk aspect in de migratieliteratuur gaat in op de assimilatie: de mate waarin het succes op de arbeidsmarkt vergelijkbaar wordt met dat van lokale werknemers naarmate migranten langer doorbrengen in het gastland (Kerr & Kerr, 2011, Bart et al, 2004, verwijzend naar Chiswick, 1978, Borjas, 1999 en Bauer, Lofstrom en Zimmerman, 2000).

In een studie van 18 OESO landen werd geen lange termijn effect gevonden op de werkgelegenheid, maar ‘immigration may have a temporary impact on natives’ unemployment, depending upon the policy framework. In particular, a temporary increase in unemployment may be observed in a context of stringent anticompetitive product market regulation, or of high replacement rates of unemployment benefits’ (Jean & Jimenez, 2011). Een panelstudie met 14 OESO landen leidde tot de conclusie dat een toename van migranten op lange termijn de lonen in het gastland drukt, met overigens een tegengesteld effect in de Angelsaksische landen (Damette & Fromentin, 2013). Voorts is er geen bewijs voor negatieve effecten op de werkgelegenheid op lange termijn, zoals aangetoond door Gross (2004) in een studie over Canada en door Ghatak en Moore’s (2007) in hun Europese studie. De bevindingen van Damette & Fromentin (2013) komen vrijwel overeen met recente studies die gebruikmaken van andere methoden (Ortega en Verdugo (2009; voor Frankrijk) en Card (2009; voor de VS) en in het bijzonder met Okkerse’s conclusie (2008): de kans dat migranten zorgen voor een groeiende werkloosheid is laag op korte termijn en vrijwel nul op lange termijn.

Ondanks institutionele verschillen, bevestigen de resultaten bij Damette & Fromentin (2013) dat migratiestromen geen substantieel nadelig effect hebben op de arbeidsmarkt van de ontwikkelde landen. Immigratie veroorzaakt, sedert de 18e eeuw, geen hogere werkloosheid in de ontwikkelde wereld. Met betrekking tot loonassimilatie concluderen Lehmer & Ludsteck (2015), op basis van Duitse gegevens ‘the raw wage gap of migrants compared to native Germans decreases by 14 log percentage points in the first eight years.’ Zij constateren voorts grote loonverschillen tussen verschillende migrantengroepen.

Sociale zekerheidseffecten

Met betrekking tot de sociale zekerheidseffecten van arbeidsmigratie maakt de economische literatuur een onderscheid tussen het pensioenstelsel enerzijds en de uitkeringen inzake werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid en sociale bijstand anderzijds. In het politieke debat is dit het verschil tussen ‘we hebben migranten nodig om de pensioenen te kunnen blijven financieren’ en ‘migranten komen alleen maar om van onze uitkeringen te profiteren’. Gelet op de gevolgen voor de arbeidsmarkt lijken de effecten van beide claims zeer beperkt. Bovendien kunnen migranten niet tegelijkertijd ‘uitkeringen claimen’ en ‘banen inpikken’. Ook kunnen ze niet tegelijkertijd een oplossing bieden voor tekorten op de arbeidsmarkt en een last vormen voor de sociale zekerheid. Onderzoek naar migratie en (de financiële duurzaamheid van) pensioenen tonen aan dat de gevolgen voor de sociale zekerheidsbijdragen zeer beperkt zijn (Felderer, 1994; Börsch-Supan, 2000, op basis van Duitse data).

Belangrijkste bron bij de vraag of migranten buitenproportioneel gebruik maken van sociale zekerheid en uitkeringen is het werk van Borjas (1999). Hij stelde dat een belangrijk economisch item in het historisch debat over het immigratiebeleid in de VS de vraag betrof of migranten hun wege vonden in het stelsel van sociale zekerheid. Hij beargumenteert dat migranten in de VS een disproportioneel hoog aandeel hebben in de verdeling van sociale zekerheidsbijdragen. Nannestad (2007) stelt dat de afhankelijkheid van welvaartsvoorzieningen stoelt op drie factoren: (i) de leeftijd en gender samenstelling van de migrantengroep, (ii) de mate waarin migranten zijn opgenomen op de arbeidsmarkt en (iii) de wijze waarop rechten worden verkregen in het stelsel. Aangezien migranten naar verhouding slechter geïntegreerd zijn op de arbeidsmarkt van welvarende landen die royale uitkeringsniveaus kennen en aangezien die welvarende landen er naar tenderen strikte(re) voorwaarden te hanteren voor de toegang tot hun voorzieningen, mag verwacht worden dat migranten zwaar drukken op de sociale zekerheid, in het bijzonder werkloosheidsuitkeringen en sociale transfers, in de meest genereuze landen. Boeri (2010) vond geen bewijs voor de stelling dat legale migranten, in het bijzonder geschoolde migranten, netto ontvangers zijn van overheidsvoorzieningen. Wel lijkt er bewijs te zijn voor een blijvende afhankelijkheid van niet op bijdragen gebaseerde voorzieningen en van een zelfselectie van ongeschoolde migranten in landen met genereuze sociale zekerheidstradities. In een recentere studie vonden Barrett & Maitre (2012) geen bewijs dat migranten als de gehele groep migranten wordt bezien meer gebruik maken van de sociale zekerheid. Ook vonden ze geen bewijs voor een hogere armoede onder migranten. Dit leidt tot de conclusie dat immigratie noch een oplossing is voor problemen met de sociale zekerheid (demografische problemen inzake pensioenen) noch op geaggregeerd niveau een groot probleem is voor voorzieningen in onze welvaartsstaat (werkloosheidsuitkeringen, sociale bijstand, etc.).

Samenvatting en conclusies

Samengevat lijkt de conclusie gewettigd dat immigratie een relatief gering en gematigd effect heeft op de economie van een ontvangend land. Er is weinig bewijs dat migratie ten koste gaat van economisch succes, terwijl economisch succes immigratie lijkt te veroorzaken. Vertaald naar de arbeidsmarkt betekent dit dat immigratie ook slechts een beperkt effect heeft: migranten lopen hoger risico op werkloosheid, maar immigratie op zich beïnvloed het werkloosheidsniveau in een land nauwelijks. Er is enig bewijs dat immigratie hogere werkloosheid (en lagere lonen) kan veroorzaken voor aanwezige groepen werknemers met een vergelijkbaar profiel als de migranten. Gelijke behandeling (verschillen tussen hoog en laag opgeleiden en tussen migranten en lokale werknemers) lijkt een groter item te zijn dan efficiency (op macroniveau van werkgelegenheid en werkloosheid).

Ten slotte laten bevindingen met betrekking tot de arbeidsmarkteffecten slechts een beperkte invloed zien op de sociale zekerheid, noch positief, noch negatief. Het huidige immigratieniveau lost de demografische problemen niet op waarmee sommige Europese landen hebben te kampen in de pensioensfeer. En er is weinig bewijs dat migranten substantieel oververtegenwoordigd zijn in sociale zekerheidsarrangementen (zoals werkloosheidsuitkeringen of de bijstand). Hierbij moet aangetekend worden dat, zoals in INT-AR paper nummer 2 geconstateerd, vanuit een andere invalshoek de grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit wel een serieus effect heeft op de flexibilisering van de (Nederlandse) arbeidsmarkt, in het bijzonder via de tijdelijke arbeidsbemiddeling. Indien als gevolg hiervan minder bijdragen aan het sociale zekerheidsstelsel ontstaan, kan op lange termijn het effect op de financiële duurzaamheid van de welvaartsstaat aan betekenis toenemen.